hystoblog

Kalender

januari 2020
Z M D W D V Z
« dec    
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
262728293031  

Een markante figuur

dr. F. J. Fokkema [1878-1963], B. Fokkema-van Bruggen [1878-1948] en Anneke Fokkema [1914-1989] [collectie Foestrumer Archief]

dr. F. J. Fokkema [1878-1963], B. Fokkema-van Bruggen [1878-1948] en Anneke Fokkema [1914-1989] [collectie Foestrumer Archief]

In Zoeklicht kwam ik dit door Joop [Jasper] Schotanus geschreven artikel tegen over dr. F. J. Fokkema. Met toestemming overgenomen.

Dr. F. Fokkema is in 1878 in Westergeest, een dorpje in Friesland, geboren. Zijn ouders waren in staat hem op het gymnasium van de Doetinchemse Stichtingen (voortgekomen uit het Réveil) te laten studeren. Na deze opleiding volgde Fokke Fokkema de theologieopleiding in Groningen, waarvoor hij in 1902 zijn kandidaatsexamen deed. Voor zijn doctorale studies en voor zijn promotie is hij daar verder gegaan. Begeleid door de bekende Prof. Dr. Isaäc van Dijk promoveerde hij in 1907 cum laude op het proefschrift: “De godsdienstig wijsgerige beginselen van Mr. Groen van Prinsterer“.

Na zijn promotie was dr. Fokkema enige maanden hulpprediker bij de bekende ds. J. van Dijk (Mzn) te Doetinchem, waar hij dus ook zijn middelbare studie had gedaan. Op 12 april 1908 werd hij door ds. Politiek van Oudwoude/Westergeest bevestigd in de Hervormde Kerk van Westeremden (even ten noorden van het toenmalige spoorlijntje naar Stedum/Loppersum)

Op 10 mei 1914 kreeg dr. Fokkema, in verband met zijn benoeming tot mede-zendingsdirecteur van het samenwerkingsverband van de Rotterdams/Utrechtse zendingsgenootschappen, eervol ontslag van zijn taak als dominee in Westeremden. Op 1 augustus 1921 volgt hij dr. A.M. Brouwer op als rector van de Zen-dingsschool te Oegstgeest. Deze functie vervulde hij precies 25 jaar. Op 1 augustus 1946 werd dit rectorschap tijdelijk overgenomen door de bekende zendingsman prof. dr. H. Kreamer, terwijl dr. Fokkema aanbleef als docent. Uit alles blijkt een zeer grote waardering voor zijn werk.

In de periode van de zendingsschool in Oegstgeest is de overigens strikte rector, zeer geliefd bij zijn studenten. Studenten die zich heel intensief voorbereiden op het zendingswerk, vaak voor het toenmalige Nederlands Oost of West Indië. “Het geloof was een zaak van zijn hart. Hij heeft op de zendingsschool een geslacht van zendelingen gevormd en hij heeft hun als theoloog een Schild voor het leven meegegeven” zoals later op zijn begrafenis gememoreerd zou worden. Enkele indrukwekkende toespraken van dr. Fokkema van de zendingsconferenties, behoren ook tot het archief, dat in de oudheidkamer van Kollum bewaard wordt. Hieruit blijkt o.a. dat hij in 1930 het gevaar van het nationaal-socialisme al ziet aankomen en er al voor waarschuwt. Hij was een markante persoonlijkheid, die geen eer zocht voor zichzelf, maar in eenvoud en bescheidenheid zijn taak verrichtte. In 1937 kreeg hij een benoeming tot kerkelijk hoogleraar te Groningen. Hij nam deze eervolle positie echter niet aan. Als verklaring voor het niet-aanvaarden schrijf hij aan vrienden “het Hart heeft vaak zijn redenen, waar de Rede geen weet van heeft” (aanhaling van de filosoof Pascal).

In juni 1953 was dr. Fokkema 75 jaar geworden en op 6 september van dat jaar wordt hij opnieuw predikant. Hij wordt samen met zijn dochter Anneke, die ook theologie studeerde, verbonden aan de Nederlands Hervormde Zendingsgemeente te Doetinchem, om pastor te zijn voor de weinige overgeblevenen in Doetinchem, de plaats van zijn eerste theologische opleiding in Ruimzicht en de plaats waar hij als hulpprediker was begonnen. Nog bijna tien jaar mocht hij dit werk doen. Hij is op 16 augustus 1963, tijdens een vakantie in Duitsland, op 85-jarige leeftijd overleden.

Nog een paar persoonlijke herinneringen. Wie zou ooit gedacht hebben dat ik zoveel jaren later bij deze vroegere dorpsgenoot in Doetinchem uitgenodigd zou worden op de koffie? Zelf was ik, met mijn vrouw, in afwachting om naar Afrika te gaan als leraar aan een school van de zending en in de wachttijd aan een conferentiecentrum in Hummelo verbonden. We hadden net ook zelf een opleiding aan een zendingsschool in Frankrijk achter de rug en zo kwamen we als pasgetrouwd stel vlak bij Doetinchem terecht. De beste manier om met Dr. Fokkema in contact te komen was om op zondagmorgen naar de kerkdienst te gaan aan de Van Nispenstraat, waar hij zou voorgaan. Met de groeten op zak van de burgemeester van Hummelo, Jhr. Van Panhuis, slaagden we erin, om na de dienst uitgenodigd te worden voor de koffie. De laatste nieuwtjes over ons dorp en ook verhalen van vroeger, zelfs over de trekschuit van Dokkum naar Leeuwarden, als tegenstelling tot het ‘hedendaagse’ gejaagde leven,
kwamen ter sprake.

Joop Schotanus

Barbierspaal aan de Kalkhúswei ?

Kalkhuisbuurt – een prachtige foto uit de jaren ’30 van de vorige eeuw. Links, op het paard, zit Renze van Wieren. Vervolgens [van links naar rechts] Dirk van der Veen, Trijntje van Wieren, Maaike Turkstra, Minne van Wieren, Thomas Turkstra, melkboer Reinder Dijkstra, Jelle van Wieren en tenslotte Wiebe Veenstra.

Maar er valt mij nog wat op. Op de achtergrond, tussen de wagen en Wiebe Veenstra door gezien, lijkt een bijzondere paal te staan. Inschattend stond die paal tegenover bijgaande woning, waarvan wij denken dat het Kalkhúswei 32a was.

Op die plek woonde destijds koopman / skearbaes / bokkenhouder Christiaan Harmens Sandman, in de volksmond Chris Sandman [1857 – 1940]. Chris trouwde in 1882 met Geertje Dauwee of Dauwe [1857 – 1933]. In 1890 werd hun dochter Johanna Christina geboren.

Eén van zijn klanten was de Westergeastmer Dirk [of Durk] Hedman Annema [1885 – 1978]. De blauwe kiel van boer Dirk moest, na zijn wekelijkse scheerbeurt bij Chris, buiten luchten vanwege de penetrante bokkenlucht die in de kleding bleef hangen.

Dirk Annema had ook een brik. Daarmee reed hij ‘s zondags vaak de Kollumer familie Heeger [bekend van de kledingzaak] naar de Katholieke kerk in Dokkum. En passant nam hij dan zijn katholieke dorpsgenoten Chris en Geartsje Sandman ‘gratis’ mee. De Heegers konden het beter betalen dan de skearbaes van het Kalkhús, wiens woning dus naast garage Kuipers stond en in 1934 afgebroken is.

En als Chris en Geartsje op eigen gelegenheid naar de kerk moesten, dan gingen ze met de fiets. En een kar daarachter. Voor Geartsje, die zelf niet kon fietsen.

Folkert Niewijk en zijn zus Klaaske en moeder Jitske Boersma

Kalkhúswei 32 a – Folkert Niewijk en zijn zus Klaaske en moeder Jitske Boersma

Wietske de Boer – Wiersma dicht:

Sneintomoarns ried Crist nei tsjerke
Op hurde bânnen nei Dokkum ta
De frou der efter op in karke
Wol 160 poun, hy moast er moed foar ha

Later kwam er de familie Niewijk wonen. Op de foto, voor de woning, staan Klaaske Niewijk 1896 – 1976], haar broer Folkert Niewijk [1897 – 1967] en moeder Jitske Niewijk – Boersma [1872 – 1951] met een kalf. Jitske was in 1895 getrouwd met melkrijder Hedde Niewijk [1873 – 1935]. Het gezin was Gereformeerd, maar Klaaske ging toch naar de openbare school in Westergeest. Klaaske was kreupel en de school in Westergeest lag voor haar op betere loopafstand.

Tijdens een laatst gehouden foto-avond werd de foto ook getoond. En hoewel er meerdere mensen zijn die na onderzoek denken dat dit de in 1934 afgebroken woning is die aan de Kalkhúswei stond, zijn er anderen die wijzen op de woningen op de achtergrond.

Ik blijf toch denken dat dit de woning wel is. En dat skearbaes Chris Sandman hier ook in heeft gewoond. Tegenover de nieuwsgierig makende paal.

Is de paal misschien daarom wel een zogenoemde barbiersstok? Rond 1905 zou de barbierspaal of barbiersstok in Fryslân nauwelijks meer voorkomen, maar heeft Chris Sandman die paal daar neergezet? Aan de overkant van de weg, zichtbaarder voor voorbijvarende schippers om ook hen te wijzen op zijn ‘zaak’?

Ik zou het graag willen weten …

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

 

Wiebe Damstra

  • Geboren op 23 november 1872 1872 te Wouterswoude
  • Overleden op 24 september 1911 te Driesum

karrijder‘ Wiebe Damstra [collectie Auke Postma].

Auke Postma [Holwerd] stuurde mij deze prachtige foto – met een diep triest verhaal.  Op de foto staat ‘karrijder‘ Wiebe Damstra met zoon Sipke.

Wiebe werd geboren in het gezin van “daglooner” Taeke Wybes Damstra en Geeske Thijmens van der Woude. Hij trouwde in 1899 met de dan 23 jarige Jitske Posthuma, geboren op 31 juli 1875 te Driesum. Samen met haar kreeg hij drie kinderen:

  1. 08-03-1900, Pietje
  2. 30-04-1902, Geeske
  3. 19-09-1907, Sipke

Het lijkt een mooi, harmonieus gezin als ik naar de foto kijk. Verscholen, achter het paard, kijkt moeder Jitske toe hoe hun zoon Sipke op de bok mag zitten. Mogelijk, zo schrijft Auke Postma, op de dag dat Sipke jarig was. Op de dag dat hij vier jaar werd.

Als dat werkelijk zo is, dan is daar bij te bedenken dat Wiebe daarom zijn zoon Sipke op de bok van de wagen meenam. Als trotse vader van zijn jongste kind. En als dat werkelijk zo is, dan wordt ik stil van de wetenschap dat vader Wiebe vijf dagen later kwam te overlijden. Slechts 38 jaar oud.

Moeder Jitske bleef op 36-jarige leeftijd achter met drie kleine kinderen, een zware taak. Zeker in die tijd. Op 07 maart 1918 hertrouwde Jitske met de 43-jarige Driesumer Evert de Vries.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

 

 

Wiebe Veenstra verongelukt

15 januari 1918, Nieuwsblad van Friesland [Hepkema’s courant]

Het is een kort berichtje. Geen namen in het artikel, maar het drama is er niet minder om.
In een zoektocht naar mogelijke slachtoffers kom ik uit bij de 63-jarige arbeider Wiebe Veenstra. Het lijkt er op dat hij de man is die overleed aan de gevolgen.

Wiebe [of Wybe] werd op 15 augustus 1854 te Driesum geboren. In het gezin van landbouwer Wessel Wybes Veenstra en Doetje Sytses de Boer. Hij was 22 jaar toen hij in op 17 mei 1877 het huwelijk trad met de 20-jarige Westergeastmer Janke Ritskes Kiersma. Een dochter van koopman Ritske Jans Kiersma en Grietje Jans Toekstra.

Voor zover ik kan nagaan kregen zij 10 kinderen:
1. Doetje, 20-03-1878
2. Grietje, 01-01-1880
3. Trijntje, 23-05-1882
4. Wessel, 19-01-1885, overleden op 2-jarige leeftijd op 11-01-1887
5. Wessel, 12-02-1887
6. Ritske, 19-10-1889, overleden op 26-03-1891, 17 maanden jong
7. Ritske, 15-10-1891
8. Jan, 04-01-1894
9. Aaltje, 08-07-1896
10. Jan, 24-03-1900

Wiebe overleed op 12 januari 1910. In Westergeest.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

Eelke Meinertswei 16

± 1924 – in het midden Eelke Meinertswei 16 [collectie Foestrumer Archief]

Met een vraag van Froukje Agema start de zoektocht naar de geschiedenis van deze woning. Zij was eigenaar/bewoner van deze woning en is in het bezit van koopaktes. En die koopaktes zijn bij deze zoektocht van geweldige waarde.


Over de woning Eelke Meinertswei 16 schrijft drs. Karstkarel [1]De vrij donkere rode metselsteen geeft aan dat het pand van omstreeks 1870 dateert[2].

Maar de vraag is hoe juist die inschatting exact is. Er zijn mij een paar foto’s bekend van voor 1930 waarop de woning Eelke Meinertswei 16 staat afgebeeld. De oudste foto daarvan zou rond 1924 zijn gemaakt en is hierboven afgebeeld.

Bote Fokkes Eskes

1832 [HISGIS]

Op de kadasterkaarten van 1832 staat nog geen woning ingetekend op deze locatie. De eigenaar van de grond is dan Bote Fokkes Eskes [1755 – 1844]. De kadastrale aanduiding is B822. En die aanduiding is van belang om te weten – maar daarover straks meer.

Bote leefde in de tijd van de Franse overheersing. De tijd dat de burgerlijke stand werd opgezet en een familienaam formeel moest worden geregistreerd – de familie gebruikte overigens al langere tijd de familienaam Eskes. Duidelijk is ook dat vóór de formele registratie namen veel vaker dan daarna niet éénduidig werden geschreven of vermeld.  Zodoende is Bote Fokkes Eskes ook op schrift bekend als Bote Folkerts Eskes, geboren in 1775.

De onduidelijkheid over zijn juiste tweede naam ontstond al bij zijn vader: Folkert of Focke Hylkes Eskes.

Bote F. Eskes was op 21 juli 1805  in Drogeham getrouwd met Gezina Geertruida Groenman [1782 – 1859], een dochter van dominee Hendrikus Groenman, Groningen. De huwelijksplechtigheid was groots van opzet. “Zij werden door een aantal rijtuigen van Drogeham naar Kollum ingehaald, waarna er vele bruiloftsfeesten plaats hadden. Zij werden op den trouwdag door den preikant van Kollum, Ds. J. P. B. Riedel in de kerk getrouwd, terwijl zij zich nederzetteden onder een gehemelte door 4 Jonge lieden aangebracht, waarin geschenken van zilver hingen. Daarna werden zij naar hun huis geleid, waar voor de deur eene poort was aangebragt met groen en vlaggen versierd, waarin een chassignet was gehangen, voorstellende twee harten, die door koorden, vastgehouden door twee duiven, werden zaamgetrokken. Een schoon bruiloft besloot deze feesten”.

Opregte Haarlemse Courant, 21 september 1844

In 1811 was Bote één van de meest vermogende mensen in Fryslân [3].

Bote en Gezina kregen drie kinderen:

  1. Martjen Botes Eskes [1807 – 1873]
  2. Hendrikus Botes Eskes [1813 – 1894]
  3. Petronella Maria Eskes [1820 – 1885]

Bote was [ook] assessor van de grietenij Kollumerland.

Om duiding te geven aan die rol, is het goed om te weten dat een grietenij het bestuursgebied van een grietman was. Grietman betekent letterlijk “hij die daagt”, van het Oudfries ‘greta’ [dagvaarden, aanklagen]. De Grietman koos/benoemde vier assessoren, uit elk kwartier van de gemeente één. Assessoren werden ook wel ‘bysitter’ of ‘mederechter’ genoemd.

In 1851 werd de benaming ‘grietenij’ vervangen door ‘gemeente’. De ‘grietman’ werd ‘burgemeester’. En de assessor werd wethouder.

Een vermogende en vooraanstaande familie, dus. Het is daarom niet verwonderlijk dat zij ook in Westergeest bekend waren O.a. vanwege het  feit dat zij de eigenaar zijn geweest van wat nu de FOKKEMA’S PLEATS is. Deze boerderij kwam volgens mij al in 1700 in de familie, toen Bote Rinses, de schoonvader van Bote F. Eskes, deze kocht.

Maar goed, terug naar wat nu Eelke Meinertswei 16 is.

Deze grond bleef in de familie tot in 1879, zo’n 35 jaar na het overlijden van Bote F. Eskes. Zijn bijna zestig jarige dochter “Vrouwe Petronella Maria Eskes echtgenoote van den Weled Heer Daniël Hermannus Andreae te Kollum” is dan “verkoopersche” van een “plek tuingrond te Westergeest, Sectie B no 822 [enz]”. Koper is Fokke Tjibbes Fokkema.

Hier zien we de kadastrale aanduiding B822 weer terugkomen – als onbebouwde grond.

Fokke Tjibbes Fokkema

Toen Fokke Tjibbes Fokkema het huidige perceel Eelke Meinertswei 16 in 1879 kocht, was het dus nog niet bebouwd.

 Fokke Tjibbes Fokkema [1818 – 1891] was een leeftijdsgenoot van “Vrouwe Petronella Maria Eskes”. Hij trouwde in 1846 met Maaike Jans Minnema [1817 – 1878].

Eén van zijn zusters was Baukje Tjibbes Fokkema [1825] die was getrouwd met Andries Keuning, bewoner van Cleyn Buma [Bumawei 23] en naar wie de Keuningsbrêge over de Nieuwe Zwemmer is genoemd.

Eén van de kinderen van Fokke T. Fokkema en Maaike J. Minnema was Jan Fokkes Fokkema [1852 – 1916]. Het lijkt er op dat deze Jan F. Fokkema in 1901 de FOKKEMA’S PLEATS kocht van Petronella Maria Eskes en Daniël Hermannus Andreae.

Op 11 september 1901 verklaarde Jan Fokkes Fokkema, landbouwer wonende te Westergeest “verkocht te hebben en te zullen leveren aan Renger Geerts van der Meulen, timmerman, wonende te Westergeest” […] “de onroerende goederen kadastraal bekend Gemeente Westergeest Sectie B nummers 1285 huis en erf […], 1286 […] en 1287 bouwland […]”.

Op het kadastrale kaartje 1887 is dit het rood omlijnde gebied.

We zien hier een hele andere kadastrale nummering opduiken en om die te kunnen duiden zoeken we recentere kadastrale kaarten op. We vinden deze nieuwe kadastrale aanduiding op een kaart uit 1887 [4].

Het blijkt, en dat is interessant, dat perceel B822 [kadastrale aanduiding in 1832] in 1887 is opgesplitst in drie kadastraal nieuwe percelen grond. In de tussenliggende jaren is de woning op B1285 [Harmen van Teijenswei 1, op het kadastrale kaartje 1887 met een blauwe pijl aangeduid] kennelijk wel gebouwd, mogelijk de reden voor de nieuwe kadastrale nummering ?

Renger Geerts van der Meulen

Toen Renger of Ringer van der Meulen het huidige perceel Eelke Meinertswei 16 in 1901 kocht, was het dus nog niet bebouwd.

Renger werd geboren op 17 september 1860. In het gezin van Geert en Antje van der Meulen – Boonstra. Op 27 april 1912 trouwde hij op 51-jarige leeftijd met de 42-jarige naaister Sietske [of Sijtske] Dijkstra. Sietske of Sytske was ook een Westergeastmer en werd geboren op 25 februari 1870.

Ringer was timmerman. Zonder een eigen bedrijf. En het lijkt er op dat Sietske handwerkonderwijzeres was aan de openbare lagere school in Westergeest.

Na het overlijden van Ringer, op 11 mei 1931, trouwde Sietske rond 1935 opnieuw. Met Ulbe de Vries die op 28 oktober 1878 te Sijbrandahuis werd geboren. Ulbe kwam op 67-jarige leeftijd te overlijden. Hij was op 14 april 1946 per fiets onderweg naar de kerk in Zwagerveen, werd onwel en viel van de fiets. Hij overleed ter plaatse.

Sietske Dijkstra overleed op 17 oktober 1960 en had in haar testament “benoemd tot enige erfgename van haar nalatenschap de Hervormde Gemeente te Westergeest”. In het rubriekje “40 jaar geleden[5] staat dat haar eigendommen bestaan uit “woningen en landerijen”.

Rudmer Kloosterman

Toen Rudmer Kloosterman het huidige perceel Eelke Meinertswei 16 in 1961 kocht, was het bebouwd.

Op 2 februari 1961 verklaren Burgemeester en Wethouders van de gemeente Kollumerland c.a. dat het “huis met hokken, bergplaats, erf en grond […] kadastraal bekend, gemeente Westergeest, Sectie B nummer 1716, groot 8.10 aren met uitzondering van ongeveer 60 centiaren, thans nummer 2028 groot 7 aren 48 centiaren geen land is in de zin van de Wet op de vervreemding landbouwgronden”.

Kennelijk was een dergelijke verklaring nodig toen de Hervormde Gemeente de woning verkocht aan koopman Rudmer Kloosterman [geboren 08-06-1898], wonende te Westergeest. In woning Eelke Meinertswei 16 – Rudmer kocht de woning waar hij al jaren in woonde.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kerkklok door de Duitse bezetter uit de kerktoren gehaald mee meegenomen. In 1949 werd een nieuwe klok geplaatst, nadat daarvoor in het dorp geld was ingezameld. De intekenlijst is bewaard gebleven en de route van de ‘collectant’ is daaruit af te leiden.

eigen foto

Het blijkt dat R. Kloosterman ook op die lijst staat vermeld. Tussen namen die toen rondom Eelke Meinertswei 16 woonden. Lieske Steenstra – van Assen, geboren in 1937 te Westergeest, weet niet anders dan dat Rudmer Kloosterman in Eelke Meinertswei woonde.

Eind 1979 verkoopt notaris Fokkema de woning Eelke Meinertswei 16 op verzoek van de familie Rudmer Kloosterman. In café de Jager, aan de overkant van de straat. Het werd omschreven als “op gunstige stand staande woonhuis met schuur, 3 houten hokken en open grond […] kadastraal bekend gemeente Westergeest, sectie B, nummer 2028, groot 7.48 are”.

tenslotte

  • De rij eigenaren is aan de hand van de aktes goed op een rij te zetten.
  • Het blijkt ook dat de woning ergens tussen 1901 en ± 1945 gebouwd zal zijn.
  • En het lijkt zeer aannemelijk dat de eigenaar van de grond, timmerman Renger of Ringer van der Meulen, de woning heeft gebouwd.
  • [Maar] Renger of Ringer van der Meulen overleed op 11 mei 1931, 70 jaar oud.
  • Op foestrumerarchief.nl staat dat Renger en Sietske van der Meulen rond de jaren ‘20/’30 van de vorige eeuw in woning Kalkhúswei 10 woonden.
  • Volgens open bronnen [6] zou Eelke Meinertswei 16 gebouwd zijn in 1935 [maar de betrouwbaarheid van een bouwjaar uit deze enige bron trek ik nog wat in twijfel [7]].

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

 

  • [1] Drs. Peter Karstkarel, kunsthistoricus, gespecialiseerd in de Nederlandse bouwkunst.
  • [2] BOUWKUNST IN KOLLUMERLAND, drs. Peter Karstkarel, 1984, Stichting Oud Kollumerland.
  • [3] Genealogysk Jierboekje 1990, Reid van der Ley
  • [4] Tresoar, kaartnummer 16532a, Westergeest Sectie B4
  • [5] Kollumer Courant 20 november 2000
  • [6] http://www.planviewer.nl
  • [7] Woning Bumawei 21 zou bijvoorbeeld gebouwd zijn in 1995, maar bestaat al veel langer. Daarnaast zijn er meerdere foto’s bekend van de jaren ’20 van de vorige eeuw.

Sierk Jacobs van der Veen

Wat is bekend over Sierk Jacobs van der Veen [1787 – 1838] ?


Een korte vraag. Met een paar aanknopingspunten.

Het is op 11 mei 1787 nog vóór de officiële aanname van een familienaam rond 1811, dat in Westergeest bij Jacob Sierks en Antje Andries een zoon werd geboren: Sierk.
Nog geen familienaam dus, maar als tweede naam die van zijn vader: Sierk Jacobs.

Op 15 mei 1812 trad Sierk Jacobs op als 25-jarige in het huwelijk met de 23-jarige Trijntje Jans. Trijntje Jans in een dochter van Jan Binnes van Oudwoude. Trijntje Jans was geboren op 12 oktober 1788. In Oudwoude. Haar vader is bekend geworden vanwege het Kollumer Oproer.
Enkele maanden daarvoor hadden ze ook een familienaam gekregen. Sierk Jacobs van der Veen en Trijntje Jans Wadman.

Vader Jacob Sierks had de familienaam “van der Veen” aangenomen. Het zou zo maar zo kunnen zijn dat hij voor die naam koos omdat hij te Zwagerveen woonde. Ik kwam ergens de opmerking tegen: “wonende op het Veen te Westergeest”. Jacob Sierks stierf als weduwnaar op 04 januari 1829, in “huizinge 17”. Dit ‘huizinge-nummer’ is even goed om te onthouden!

Sierk Jacobs en Trijntje Jans kregen zes kinderen:

  • Antje, 24-02-1813
  • Jacob, 27-09-1815
  • Jan, 30-03-1818
  • Sytse, 03-02-1822
  • Jitske, 24-07-1826
  • Binne, 21-07-1830

De oudste dochter werd geboren in de toenmalige gemeente Oudwoude. Het lijkt er op dat het jonge gezin dus niet ‘onder de klokslag’ van Westergeest woonde. Uit notariële aktes blijkt dat Sierk Jacobs [en zijn gezin] in 1820 wel in Westergeest woonden. Hij koopt in de jaren daarna grasland of greidland, bouwland en woningen. Waar het gezin toen exact woonde weet ik [nog] niet.

Een gegeven is dat landbouwer Sierk Jacobs kwam te overlijden op 27 mei 1838, ’s morgens om vijf uur. Hij was toen 51 jaar. Hij stierf in “huizinge 17”.
Het lijkt er dus op dat het gezin uiteindelijk is gaan wonen in het ouderlijk huis van Sierk Jacobs te [naar mijn mening] Zwagerveen.

Zijn weduwe Trijntje Jans bleef daar wonen. Als boerin. Tot zij op 03 mei 1848 kwam te overlijden. Ook in “huizinge 17“.

mogelijke lokatie "Huizinge 17"

mogelijke lokatie “Huizinge 17”

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

bronnen:

 

Pieter Klazes Zijlstra

  • Geboren 7 december 1896 te Veenwoudsterwal
  • Overleden 03 december 1969 te Westergeest 
    Pieter Zijlstra en zijn vrouw Aaltje Dijkstra [collectie kleinzoon Pieter Zijlstra]

    Pieter Zijlstra en zijn vrouw Aaltje Dijkstra [collectie kleinzoon Pieter Zijlstra]

Pieter Klazes Zijlstra werd geboren in het “Huis onder de Linden”. In Veenwoudsterwal. In het gezin van Klaas Zijlstra en Grietje Feenstra. Op 9 december 1915 trouwde Pieter met Aaltje Dijkstra en is het jonge stel in Leeuwarden gaan wonen. Aaltje werd geboren op 26 november 1896.

In de loop der jaren kregen ze samen twaalf kinderen:

  • 21 juli 1919, Klara
  • 15 december 1917, Klaas
  • 3 augustus 1919, Cornelis
  • 18 februari 1921, Roelof
  • 23 juni 1922, Jelle
  • 6 augustus 1923, Grietje
  • 10 april 1925, Antje
  • 1 juni 1927, Geertje
  • 24 oktober 1930, Aaltje Pieternella
  • 5 maart 1932, Ruurd
  • 28 september 1933, Akke
  • 2 februari 1935, Jan

Pieter verdiende de kost met het plaatsen van betonputten of -regenwaterputten en ronde silo’s bij de boeren. In de

Patrimoniumwoningen [bron HISGIS]

Patrimoniumwoningen [bron HISGIS]

jaren ’20 van de vorige eeuw schakelde hij over naar de vishandel. En werd zijn bijnaam ‘Pieter-fisk’ geboren.

Vanaf 1929 tot ongeveer 1938 woonde het gezin te Driesum/Stroobosser Trekvaart in een huurwoning van ‘Patrimonium’ [op de Topografische kaart 1870-1935 met rood omlijnd]. Twee onder één kap met één verdieping. De woningen zijn afgebroken rond de jaren ’60-’70 van de vorige eeuw.

Van 1938 tot rond 1944 woonde het gezin in Bussum. Het was oorlog en het waren de crisisjaren. De vishandel ging slecht – makrelen met de handkar verkopen voor een paar dubbeltjes.

Voor zijn hondenkar had hij een Friese Stabijhond lopen. Maar meer dan dat is over hem en zijn hondenkar niet bekend.

Na bewogen jaren kwam het gezin rond 1945 tot ongeveer 1948 te wonen bij de Gerkesbrêge [Weardebuorsterwei 3] tussen Westergeest en Ee. Zijn zoon Ruurd vertelde zijn kinderen later dat hij als 14-jarige knaap op kapotte klompen naar de school in Ee moest lopen.

Pieter en Aaltje hebben ook gewoond aan de Harmen van Teijenswei 25. Een perceel aan het einde van deze weg, liggend aan de Trekvaart. Van daaruit onderhield hij zijn vishandel. Het visafval, zoals viskoppen, voerde hij aan zijn varkens die daardoor een vissmaak kregen.

De vis werd twee keer per week met de trein aangevoerd vanuit IJmuiden. De kisten vol met vis in ijs en eikenhouten vaten met haring werden te Buitenpost gelost en verdeeld. Een deel naar zoon Ruurd in Anjum, een deel naar zoon Roel in Kollumerzwaag en een deel naar zoon Klaas in Kollum.

Op 25 april 1959 stierf zijn geliefde vrouw Aaltje. Zij had zwaar reuma en was gekluisterd aan een rolstoel. In die tijd woonden Pieter en Aaltje al enkele jaren bij het gezin van Ruurd en Froukje te Anjum.

Een jaar later trouwde Pieter met weduwe Grietje van Assen – de Jong [1902 – 1995] en gingen ze wonen aan het Kalkhúswei 24. Grietje maakte haar woning Kalkhúswei 28 daardoor vrij voor het gezin van haar zoon Wietze en Anne van Assen die toen Kootstertille achter hen konden laten.

Zijn witte woning aan de Kalkhúswei 24 is al lang afgebroken. Hij heeft er een aantal jaren voor en na 1960 gewoond met zijn tweede vrouw. Grietje van Assen – de Jong [1902 – 1995]. Grietje was eerder getrouwd geweest met Gooitzen van Assen [1901 – 1943]. Zijn grote passie was de tuin achter de woning, boordevol met bloemen. Ook bezat hij een voliere met tropische vogels en een kippenhok.

Pieter had tot 1960 vergunning om vis te verkopen. Er gaat een bijzonder verhaal rond. Over hem achter zijn viskar. En over zijn gulp. Uit die gulp hing naar verluid een touwtje. Zo hield hij zijn handen schoon voor een kleine boodschap. Met een touwtje bij de hals trok hij alles weer terug….

Althans, dat is het verhaal.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

Zonder NV Holpatex geen Kollum Chemie

Januari 2018. Op http://www.foestrumerarchief.nl werd bericht nummer 1150 geplaatst. Henk F. Hansma had zijn herinneringen aan N.V. Holpatex in zijn moederstaal aan het papier toevertrouwd. Met de opmerking dat hij nog in het bezit is van een lijst werknemers van dit bedrijf.

Hansma:
Ik was 17 jaar toen ik de MULO verliet. En via mijn vader werk kreeg bij de Kruidencoöperatie in Westergeest. Niet bij de ‘Bûnte Hûn’, dat was de grasdrogerij die meer richting brug stond. Nee, dit was de drogerij van aromatische kruiden, waar ook geneesmiddelen van werden gemaakt. Eén van de vier fabrieken die direct na de Tweede Wereldoorlog door de Verenigde Staten werd geïnitieerd. Door middel van het Marshallplan. Opgericht te Buitenpost op 06 februari 1947. Geopend op 22 september 1948.

Het drogen en verwerken van een paar van de 40 – 50 kruidensoorten was nog rendabel. Als ik mij goed herinner waren dat Digitalis Lanata en Purpurea, Lobelia inflata en het alom bekende Viola. Het zaad van dit laatste plantje moet zeer sterk zijn geweest – het driekleurig viooltje komt na 42 jaar nog steeds tot bloei in mijn tuin. Van de lobiline [uit de Lobelia inflata] werd beweerd dat het hielp bij het stoppen van roken.

Maar goed. Terug naar de dag dat ik begon. Ik kwam die 17e september 1962 bij niemand minder dan bij Max Gosschalk, directielid van Holpatex Westergeest NV op de kamer te zitten. Ik had toen het geluk dat hij er die dag niet was. Ik begreep dat de grote baas nog niet in Fryslân woonde. Hij had boven wel een slaapkamertje, maar daar mochten wij niet komen.
Gosschalk was een op en top directeur, kalend bruin, korte vingers en een flesje “rûkersguod” op zijn bureau. Hij kwam begin jaren zestig van de vorige eeuw in beeld nadat zijn bedrijf in het westen van ons land door brand was verwoest. Hij begon in Westergeest de Holland Papier en Textiel NV beginnen, de N.V. Holpatex. Deze herstart ging gepaard met de nodige verhalen en geruchten ….

De andere, sigaar rokende directeur, B. A. Dijkstra had een kamer in het fabriekscomplex van de drogerij. Hij was bovendien directeur van de Kruidencoöperatie Westergeest. Daar was ik eigenlijk in dienst.

De werkzaamheden van en in Holpatex waren zeer uiteenlopend. Maar rond 1962 werd er veel vismeel gedroogd en verwerkt. Te veel, want het bedrijf kon het niet aan. Vismeel lag stinkend en rottend naast de fabriek, want ook de andere werkzaamheden moesten door gaan. De medewerkers kwamen stinkend thuis …
De drie ton vismeel kwam uit het Griekse zeeschip MS PATHOS dat in de haven van Rotterdam in brand was geraakt. Door het bluswater was het product nat geworden en moest het worden gedroogd. In Westergeest.

YST: de Friese Koerier schreef op 19 juli 1962: “Onder de bewoners van het gehucht Schuilenburg […] is grote roering ontstaan nadat dezer dagen een viertal 50-tons schepen, geladen met vismeel, ligplaats heeft gekozen aan de kade, in afwachting van de lossing. Volgens de bewoners verspreidt het in de schepen aanwezige vismeel een niet te verdragen stank, die doordringt in de huizen en het leven vrijwel ondraaglijk maakt. Vlees, dat ’s morgens in de etalage van de slager wordt gelegd, zou ’s avonds zwart zijn geworden en de ter plaatse wonende bakker zou grote moeite hebben om zijn brood kwijt te worden”.

N.V. Holpatex schonk heel wat flesjes parfum en de medewerkers op kantoor kregen een extra toeslag van zes gulden per week.

Fabrieksarbeiders verdienden gemiddeld 45 gulden, kantoorpersoneel 30 gulden en de directie 252 gulden per week. Elke week weer werd het geld op kantoor geteld en in bruine loonzakjes gedaan. En als er uiteindelijk een verschil was, moest alles opnieuw geteld worden. En toch was er wel eens iemand die zei te kort te hebben ontvangen – nooit te veel …
Regelmatig werd het vismeel volgens contract bemonsterd. Door broei “spatten de maden tegen het plafond, je moest er niet met open mond boven hangen”. De monsters werden via het postkantoor te Kollumerzwaag ingezonden. Beambte Pieter Geertsma snoof al als de monsters bij hem werden gebracht.

Vijf tot zes mensen vonden werk op het kantoor. In de keuken was de telefooncentrale gevestigd. Max Gosschalk was veel op pad. Om nieuwe orders. Hij had de wind er onder, maast moest zeker ook rekening houden met de andere directeur.
Soms mocht ik op vrijdag eerder naar huis. Dan kwam er rond vijf uur een dame voor een bespreking. Boven op zijn kamertje. Maar ik had toen al het idee dat er niet gesproken werd over de maden in het vismeel ….
Uiteindelijk kreeg hij een woning in Burgum. En kwam ook zijn dochter Edith op het kantoor werken. Maar Gosschalk behandelde haar niet anders dan anderen. Ze reed niet met vader mee naar de fabriek, maar kwam op een solex. Toen haar verkering met een jongen uit Leeuwarden uit raakte, kreeg ze medewerkers uit de fabriek op het oog. En werd ze wel eens zoenend aangetroffen ..

N.V. Holpatex gebruikte een zogenoemde gogo Mobil. Voorman Wiltsje Wiersma nam dat ding meestal mee naar huis. De gogomobiel reed maar 45 km., maar toen ik voor een boodschap naar Kollum moest was het wel even wennen. Zeker omdat het de eerste keer was en ik pas na enkele kilometers in de gaten kreeg waarom de motor zo’n lawaai maakte. Er moest geschakeld worden naar de tweede versnelling – de hogere versnellingen waren dichtgelast. Het was een hele ervaring en in Kollum stond het zweet op mijn voorhoofd: remmen, schakelen, goed uitkijken en dan die fietsers om de auto heen fietsend! Het is gelukt, maar ik durfde niet achteruit te rijden. Dus na een rondje door Kollum werd de terugreis aanvaard en kwam ik terug in Westergeest. Zonder wat te zeggen, want de gogomobiel en ik, wij waren heelhuids terug.

De buurvrouw naast het kantoor had een pick-up gekregen. Door de dunne muren konden wij meegenieten, maar uiteindelijk ging het vervelen. Ze had maar één liedje: Lesson One van Russ Conway. Was het een vaag teken? Voor de fabriek en de directie?
Feit is dat het liedje na zoveel jaren is blijven hangen.

En dat N.V. Holpatex langzaam werd meegezogen in een drama dat begon toen Gosschalk een klein, behendig mannetje aan ons voorstelde: “Schets” zei hij. “Anton W.M. Schets”. Schets werd één van de drie directeuren en het personeel werd uitgeleend aan Kollum Chemie.

Voor die tijd was N.V. Holpatex al bezig met het verpakken en verwerken van insecticiden zoals Dimecron en Maneb. Zeer giftige insecticiden welke geleverd werd door Ciba A.G., Zwitserland. N.V. Holpatex was daar niet op voorbereid. De insecticide verstoof tijdens het verwerken, er waren geen douches en er was grote tijdsdruk. Omdat de concentraties te hoog werden, werd buiten aan lange tafels gewerkt ..
Dokter Roosdorp van Kollum onderzocht regelmatig het bloed van de medewerkers. En als er te veel gif in het bloed werd aangetroffen, dan mocht je even niet meer werken. Het is mij ook overkomen. Minse Sipma werd op een zaterdagmiddag met grote spoed naar het ziekenhuis in Leeuwarden gebracht. De directie heeft daarvan een verslag gemaakt en afgedrukt in het bedrijfskrantje. Conclusie: er was een productieverlies van zesduizend gulden.

Toen directeur Anne Dijkstra door ziekte stopte, ging het snel bergafwaarts met het bedrijf. N.V. Holpatex ging uiteindelijk in 1964 failliet. Ik was toen al vertrokken want ik kon mijn draai er niet meer vinden: “Jij bent net een ambtenaar, jij hebt voor elke oplossing een probleem” kreeg ik te horen.

Dat directeur Anne Dijkstra in 1970 alleen voor de rechter stond inzake de Kruidencoöperatie is volgens mij niet helemaal terecht. Gosschalk had naast hem moeten staan.

loopgraven bij Westergeest

Waren de loopgraven van de Tweede Wereldoorlog bij It Ljeppershiem bij de sluis van het land van Jan van Assen ?


Klaasje Vries, Eelkje Reinders, Adela en Maaike Vries, spelend in één van de loopgraven of schuttersputten [collectie Foestrumer Archief]

Klaasje Vries, Eelkje Reinders, Adela en Maaike Vries, spelend in één van de loopgraven of schuttersputten [collectie Foestrumer Archief]

Een vraag die ik via Messenger kreeg toegezonden. Over de loopgraven in Westergeest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het beeld dat er bij loopgraven ontstaat is vaak het beeld uit de Eerste Wereldoorlog. Toen de Duitse troepen zich ingroeven tegenover ingegraven troepen van de geallieerden.

De loopgraven bij Westergeest zijn van een andere orde geweest. Het waren eigenlijk grote schuttersputten – gegraven gaten waar een militair in ligt om vanuit te schieten. Langs de weg. Niet alleen werden die bij Westergeest gegraven, maar op veel meer plaatsen maakte de Duitse bezetter daar gebruik van.

foto google earth

foto google earth

Westergeastmers als Willem Reinders, Bauke Hamstra en Minkes Sloot moesten onder het toeziend oog van twee Duitse soldaten de gaten graven. Moesten, want ze werden gedwongen. Vanaf de flauwe bocht in de Weardebuorsterwei vlak na de ingang naar het gemaaltje, tot de hoek naar Keatlingwier in de linkerberm. Er werden meerdere gaten gegraven van waaruit de Duitsers [als het nodig was] het langskomende verkeer onder schot kon houden.

De Duitse soldaten moesten op de dagen dat er gegraven werd, van warm eten worden voorzien. Voor de familie Merkus was dat spannend omdat de thuis wonende jongens Jan en Gratis ‘de gevaarlijke leeftijd’ hadden. Zij konden meegenomen worden voor dwangarbeid in Duitsland.

Later werden Klaasje Vries, Eelkje Reinders, Adela en Maaike Vries op bijgaande foto gezet. Spelend in één van de loopgraven of schuttersputten. Eelkje weet zich nog te herinneren dat haar ouders op spelen met de kinderen van Vries aandrongen.

Met haar scherpe geheugen herinnert Eelkje Sipkema – Reinders zich ook nog steeds de keer dat ze met de Duitsers boerenkool kreeg te eten. En dat één van de soldaten begon te huilen. Deze soldaat moest de dag daarop naar het front.

Hij kreeg geen mogelijkheid om zijn familie nog te ontmoeten …

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

Eeltsje-baes begraven in Westergeest?

'Eeltsje-baes' [collectie Wikipedia]

‘Eeltsje-baes’ [collectie Wikipedia]

Op www.foestrumerarchief.nl is een krantenartikel geplaatst: De beroemdste boeier ooit op de foto. In het water gegleden vanaf de werf van Eeltje Holtrop van der Zee.

Eeltsje-baes‘, zoals Eeltje in de volksmond werd genoemd, werd op 12 september 1823 geboren in het gezin van Sytze Tjeerds van der Zee en Klaaske Eeltjes. Een geslacht van scheepsbouwers dat wordt gezien als de eerste grote Friese boeierbouwers.

grafsteen Eeltje Holtrop van der Zee [collectie graftombe]

grafsteen Eeltje Holtrop van der Zee [collectie graftombe]

In 1848 nam Eeltje de werf van zijn grootvader in IJlst over. Tien jaar later nam hij een bestaande werf over in Joure. ‘Eeltsje-baes’ werd langzaam maar zeker een begrip. Als vakman die in zijn werkbare jaren honderden pramen, snikken, tjalken, sloepen en punters heeft gebouwd.
Op 12 januari 1901 overleed Eeltje. In Joure.

Het artikel “De beroemdste boeier ooit op de foto” sluit af met de opmerking dat er in 1956 [toch] nog een grafsteen geplaatst werd op het graf van Eeltje Holtrop, “vlakbij de toren van de begraafplaats Westergeest”. Maar Eeltje werd begraven in Joure. Op begraafplaats Westermeer werd zijn grafsteen gefotografeerd.

Een “slip of the pen” of een ‘auto-correctie’ bij de tekstverwerking …

Weet u ook wat te vertellen ? Voel u dan vrij om te reageren op deze post. Samen maken we dan ook deze geschiedenis completer.

bronnen: