hystoblog

Kalender

december 2018
Z M D W D V Z
« Nov    
 1
2345678
9101112131415
16171819202122
23242526272829
3031  
Advertenties

Zonder NV Holpatex geen Kollum Chemie

Januari 2018. Op http://www.foestrumerarchief.nl werd bericht nummer 1150 geplaatst. Henk F. Hansma had zijn herinneringen aan N.V. Holpatex in zijn moederstaal aan het papier toevertrouwd. Met de opmerking dat hij nog in het bezit is van een lijst werknemers van dit bedrijf.

Hansma:
Ik was 17 jaar toen ik de MULO verliet. En via mijn vader werk kreeg bij de Kruidencoöperatie in Westergeest. Niet bij de ‘Bûnte Hûn’, dat was de grasdrogerij die meer richting brug stond. Nee, dit was de drogerij van aromatische kruiden, waar ook geneesmiddelen van werden gemaakt. Eén van de vier fabrieken die direct na de Tweede Wereldoorlog door de Verenigde Staten werd geïnitieerd. Door middel van het Marshallplan. Opgericht te Buitenpost op 06 februari 1947. Geopend op 22 september 1948.

Het drogen en verwerken van een paar van de 40 – 50 kruidensoorten was nog rendabel. Als ik mij goed herinner waren dat Digitalis Lanata en Purpurea, Lobelia inflata en het alom bekende Viola. Het zaad van dit laatste plantje moet zeer sterk zijn geweest – het driekleurig viooltje komt na 42 jaar nog steeds tot bloei in mijn tuin. Van de lobiline [uit de Lobelia inflata] werd beweerd dat het hielp bij het stoppen van roken.

Maar goed. Terug naar de dag dat ik begon. Ik kwam die 17e september 1962 bij niemand minder dan bij Max Gosschalk, directielid van Holpatex Westergeest NV op de kamer te zitten. Ik had toen het geluk dat hij er die dag niet was. Ik begreep dat de grote baas nog niet in Fryslân woonde. Hij had boven wel een slaapkamertje, maar daar mochten wij niet komen.
Gosschalk was een op en top directeur, kalend bruin, korte vingers en een flesje “rûkersguod” op zijn bureau. Hij kwam begin jaren zestig van de vorige eeuw in beeld nadat zijn bedrijf in het westen van ons land door brand was verwoest. Hij begon in Westergeest de Holland Papier en Textiel NV beginnen, de N.V. Holpatex. Deze herstart ging gepaard met de nodige verhalen en geruchten ….

De andere, sigaar rokende directeur, B. A. Dijkstra had een kamer in het fabriekscomplex van de drogerij. Hij was bovendien directeur van de Kruidencoöperatie Westergeest. Daar was ik eigenlijk in dienst.

De werkzaamheden van en in Holpatex waren zeer uiteenlopend. Maar rond 1962 werd er veel vismeel gedroogd en verwerkt. Te veel, want het bedrijf kon het niet aan. Vismeel lag stinkend en rottend naast de fabriek, want ook de andere werkzaamheden moesten door gaan. De medewerkers kwamen stinkend thuis …
De drie ton vismeel kwam uit het Griekse zeeschip MS PATHOS dat in de haven van Rotterdam in brand was geraakt. Door het bluswater was het product nat geworden en moest het worden gedroogd. In Westergeest.

YST: de Friese Koerier schreef op 19 juli 1962: “Onder de bewoners van het gehucht Schuilenburg […] is grote roering ontstaan nadat dezer dagen een viertal 50-tons schepen, geladen met vismeel, ligplaats heeft gekozen aan de kade, in afwachting van de lossing. Volgens de bewoners verspreidt het in de schepen aanwezige vismeel een niet te verdragen stank, die doordringt in de huizen en het leven vrijwel ondraaglijk maakt. Vlees, dat ’s morgens in de etalage van de slager wordt gelegd, zou ’s avonds zwart zijn geworden en de ter plaatse wonende bakker zou grote moeite hebben om zijn brood kwijt te worden”.

N.V. Holpatex schonk heel wat flesjes parfum en de medewerkers op kantoor kregen een extra toeslag van zes gulden per week.

Fabrieksarbeiders verdienden gemiddeld 45 gulden, kantoorpersoneel 30 gulden en de directie 252 gulden per week. Elke week weer werd het geld op kantoor geteld en in bruine loonzakjes gedaan. En als er uiteindelijk een verschil was, moest alles opnieuw geteld worden. En toch was er wel eens iemand die zei te kort te hebben ontvangen – nooit te veel …
Regelmatig werd het vismeel volgens contract bemonsterd. Door broei “spatten de maden tegen het plafond, je moest er niet met open mond boven hangen”. De monsters werden via het postkantoor te Kollumerzwaag ingezonden. Beambte Pieter Geertsma snoof al als de monsters bij hem werden gebracht.

Vijf tot zes mensen vonden werk op het kantoor. In de keuken was de telefooncentrale gevestigd. Max Gosschalk was veel op pad. Om nieuwe orders. Hij had de wind er onder, maast moest zeker ook rekening houden met de andere directeur.
Soms mocht ik op vrijdag eerder naar huis. Dan kwam er rond vijf uur een dame voor een bespreking. Boven op zijn kamertje. Maar ik had toen al het idee dat er niet gesproken werd over de maden in het vismeel ….
Uiteindelijk kreeg hij een woning in Burgum. En kwam ook zijn dochter Edith op het kantoor werken. Maar Gosschalk behandelde haar niet anders dan anderen. Ze reed niet met vader mee naar de fabriek, maar kwam op een solex. Toen haar verkering met een jongen uit Leeuwarden uit raakte, kreeg ze medewerkers uit de fabriek op het oog. En werd ze wel eens zoenend aangetroffen ..

N.V. Holpatex gebruikte een zogenoemde gogo Mobil. Voorman Wiltsje Wiersma nam dat ding meestal mee naar huis. De gogomobiel reed maar 45 km., maar toen ik voor een boodschap naar Kollum moest was het wel even wennen. Zeker omdat het de eerste keer was en ik pas na enkele kilometers in de gaten kreeg waarom de motor zo’n lawaai maakte. Er moest geschakeld worden naar de tweede versnelling – de hogere versnellingen waren dichtgelast. Het was een hele ervaring en in Kollum stond het zweet op mijn voorhoofd: remmen, schakelen, goed uitkijken en dan die fietsers om de auto heen fietsend! Het is gelukt, maar ik durfde niet achteruit te rijden. Dus na een rondje door Kollum werd de terugreis aanvaard en kwam ik terug in Westergeest. Zonder wat te zeggen, want de gogomobiel en ik, wij waren heelhuids terug.

De buurvrouw naast het kantoor had een pick-up gekregen. Door de dunne muren konden wij meegenieten, maar uiteindelijk ging het vervelen. Ze had maar één liedje: Lesson One van Russ Conway. Was het een vaag teken? Voor de fabriek en de directie?
Feit is dat het liedje na zoveel jaren is blijven hangen.

En dat N.V. Holpatex langzaam werd meegezogen in een drama dat begon toen Gosschalk een klein, behendig mannetje aan ons voorstelde: “Schets” zei hij. “Anton W.M. Schets”. Schets werd één van de drie directeuren en het personeel werd uitgeleend aan Kollum Chemie.

Voor die tijd was N.V. Holpatex al bezig met het verpakken en verwerken van insecticiden zoals Dimecron en Maneb. Zeer giftige insecticiden welke geleverd werd door Ciba A.G., Zwitserland. N.V. Holpatex was daar niet op voorbereid. De insecticide verstoof tijdens het verwerken, er waren geen douches en er was grote tijdsdruk. Omdat de concentraties te hoog werden, werd buiten aan lange tafels gewerkt ..
Dokter Roosdorp van Kollum onderzocht regelmatig het bloed van de medewerkers. En als er te veel gif in het bloed werd aangetroffen, dan mocht je even niet meer werken. Het is mij ook overkomen. Minse Sipma werd op een zaterdagmiddag met grote spoed naar het ziekenhuis in Leeuwarden gebracht. De directie heeft daarvan een verslag gemaakt en afgedrukt in het bedrijfskrantje. Conclusie: er was een productieverlies van zesduizend gulden.

Toen directeur Anne Dijkstra door ziekte stopte, ging het snel bergafwaarts met het bedrijf. N.V. Holpatex ging uiteindelijk in 1964 failliet. Ik was toen al vertrokken want ik kon mijn draai er niet meer vinden: “Jij bent net een ambtenaar, jij hebt voor elke oplossing een probleem” kreeg ik te horen.

Dat directeur Anne Dijkstra in 1970 alleen voor de rechter stond inzake de Kruidencoöperatie is volgens mij niet helemaal terecht. Gosschalk had naast hem moeten staan.

Advertenties

loopgraven bij Westergeest

Waren de loopgraven van de Tweede Wereldoorlog bij It Ljeppershiem bij de sluis van het land van Jan van Assen.


Klaasje Vries, Eelkje Reinders, Adela en Maaike Vries, spelend in één van de loopgraven of schuttersputten [collectie Foestrumer Archief]

Klaasje Vries, Eelkje Reinders, Adela en Maaike Vries, spelend in één van de loopgraven of schuttersputten [collectie Foestrumer Archief]

Een vraag die ik via Messenger kreeg toegezonden. Over de loopgraven in Westergeest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het beeld dat er bij loopgraven ontstaat is vaak het beeld uit de Eerste Wereldoorlog. Toen de Duitse troepen zich ingroeven tegenover ingegraven troepen van de geallieerden.

De loopgraven bij Westergeest zijn van een andere orde geweest. Het waren eigenlijk grote schuttersputten – gegraven gaten waar een militair in ligt om vanuit te schieten. Langs de weg. Niet alleen werden die bij Westergeest gegraven, maar op veel meer plaatsen maakte de Duitse bezetter daar gebruik van.

foto google earth

foto google earth

Westergeastmers als Willem Reinders, Bauke Hamstra en Minkes Sloot moesten onder het toeziend oog van twee Duitse soldaten de gaten graven. Moesten, want ze werden gedwongen. Vanaf de flauwe bocht in de Weardebuorsterwei vlak na de ingang naar het gemaaltje, tot de hoek naar Keatlingwier in de linkerberm. Er werden meerdere gaten gegraven van waaruit de Duitsers [als het nodig was] het langskomende verkeer onder schot kon houden.

De Duitse soldaten moesten op de dagen dat er gegraven werd, van warm eten worden voorzien. Voor de familie Merkus was dat spannend omdat de thuis wonende jongens Jan en Gratis ‘de gevaarlijke leeftijd’ hadden. Zij konden meegenomen worden voor dwangarbeid in Duitsland.

Later werden Klaasje Vries, Eelkje Reinders, Adela en Maaike Vries op bijgaande foto gezet. Spelend in één van de loopgraven of schuttersputten. Eelkje weet zich nog te herinneren dat haar ouders op spelen met de kinderen van Vries aandrongen.

Met haar scherpe geheugen herinnert Eelkje Sipkema – Reinders zich ook nog steeds de keer dat ze met de Duitsers boerenkool kreeg te eten. En dat één van de soldaten begon te huilen. Deze soldaat moest de dag daarop naar het front.

Hij kreeg geen mogelijkheid om zijn familie nog te ontmoeten …

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

Eeltsje-baes begraven in Westergeest?

'Eeltsje-baes' [collectie Wikipedia]

‘Eeltsje-baes’ [collectie Wikipedia]

Op www.foestrumerarchief.nl is een krantenartikel geplaatst: De beroemdste boeier ooit op de foto. In het water gegleden vanaf de werf van Eeltje Holtrop van der Zee.

Eeltsje-baes‘, zoals Eeltje in de volksmond werd genoemd, werd op 12 september 1823 geboren in het gezin van Sytze Tjeerds van der Zee en Klaaske Eeltjes. Een geslacht van scheepsbouwers dat wordt gezien als de eerste grote Friese boeierbouwers.

grafsteen Eeltje Holtrop van der Zee [collectie graftombe]

grafsteen Eeltje Holtrop van der Zee [collectie graftombe]

In 1848 nam Eeltje de werf van zijn grootvader in IJlst over. Tien jaar later nam hij een bestaande werf over in Joure. ‘Eeltsje-baes’ werd langzaam maar zeker een begrip. Als vakman die in zijn werkbare jaren honderden pramen, snikken, tjalken, sloepen en punters heeft gebouwd.
Op 12 januari 1901 overleed Eeltje. In Joure.

Het artikel “De beroemdste boeier ooit op de foto” sluit af met de opmerking dat er in 1956 [toch] nog een grafsteen geplaatst werd op het graf van Eeltje Holtrop, “vlakbij de toren van de begraafplaats Westergeest”. Maar Eeltje werd begraven in Joure. Op begraafplaats Westermeer werd zijn grafsteen gefotografeerd.

Een “slip of the pen” of een ‘auto-correctie’ bij de tekstverwerking …

Weet u ook wat te vertellen ? Voel u dan vrij om te reageren op deze post. Samen maken we dan ook deze geschiedenis completer.

bronnen:

Harmen van Teijens

Our great-great-great grandfather was Teije van Teijens, the onderwijzer in Augsbuurt from 1818 until 1880, and the street “vanTeijenswei” is apparently named after his father, Harmen van Teijens, who was the “Dorpwachter” te Westergeest from 1796-1859. We are particularly interested to know if any of their school buildings are still standing, as well as the houses where Harmen died in 1872 (“house no. 265 in Westergeest”).


Het gebruik van huisnummers werd omstreeks 1808 voorgeschreven. Toen bepaalde Napoleon dat ieder gebouw een nummer moest hebben. In de jaren 1816/1817 werd er nog een keer omgenummerd. Na nog wat wijzigingen werd in de periode 1960/1965 de dorpsnummering omgezet in de nummering per straat.
En dat maakt de vraag spannend. Spannend, omdat het heel lastig is om de gebruikte, oude huisnummering te vertalen naar een hedendaags adres. 

Tije Durks en Sjeuke Abels op De Triemen kregen op 8 april 1777 een zoon die zij Harmen noemden – Harmen Teijes.
Rond 1796, toen Harmen Teijes 19 jaar, was volgde hij zijn broer op als onderwijzer aan de winterschool te Westergeest. Die stond aan het Tsjerkepaad, een prachtig voetgangerspad langs de noordkant van het kerkhof [rode stippellijn op bovenstaande kaarten].

Hij woonde daar al met zijn broer in het schoolhuis. En door zich te laten dopen in de Nederlands Hervormde kerk kon hij daar vrij blijven wonen: het onderwijs was destijds verbonden aan de kerkelijke gemeente. Tot de onderwijswet van 1857 daar een einde aan maakte.

Toen de school verhuisde naar de Eelke Meinertswei, kocht de kerkvoogdij de school en schoolwoning weer terug. De school werd afgebroken – onbekend wanneer precies.

Tot ongeveer 1825 was de school een ‘winterschool’. Er werd alleen ’s winters les gegeven omdat de schoolkinderen in de zomerperiode moesten meehelpen in land- en tuinbouw. In 1843 werd er een nieuw schoolhuis gebouwd aan het Tsjerkepaad – deze woning staat daar nog steeds [blauwe driehoek].

Op 26 november 1797 trouwde Harmen te Westergeest met de oudere Tietje Jeens Postma, geboren in 1768. Samen kregen zij 7 kinderen:

1. 07-07-1798, Teije Harmens
2. 18-04-1800, Jeen Harmens [overleden op 27 februari 1880]
3. 01-02-1802, Zwaantje Harmens [overleden op 16 mei 1887]
4. 27-01-1804, Akke Harmens
5. 02-02-1807, Dirk Harmens [overleden op 11 mei 1879]
6. 29-01-1811, Baukjen Harmens
7. 31-07-1815, Romkje [overleden op 06 mei 1896]

In 1811 namen zijn broer, zus en hij zelf met gezin de familienaam Van Teijens aan.

Kalkhúswei 6 [eigen foto]

Kalkhúswei 6 [eigen foto]

Om rond te kunnen komen nam hij ook andere werkzaamheden op zich, zoals ontvanger van diverse belastingen in Westergeest en dorpsrechter. In 1810 vervielen dit soort bijbaantjes door de Franse overheersing. Gelukkig kreeg hij van de nieuw benoemde Maire Willem Hendrik van Heemstra de nieuwe rol als veldwachter [dorpwachter] te Westergeest, Oudwoude en Kollumerzwaag aangeboden, náást zijn functie als onderwijzer !

In 1832 staat schoolmeester Harmen Teijens van Teijens vermeld bij de woning die in het rode vierkant is weergegeven: Kalhúswei 6. Deze woning wordt op dit moment afgebroken. Dit huis werd rond 1810 gebouwd met stenen die vrij waren gekomen bij het inkorten van de kerktoren.

Op 2 juli 1846 stierf zijn vrouw na een huwelijk van bijna 49 jaar. In huis 99. Ik heb nog geen idee welke woning dit is geweest.
Zes jaar later ontving Harmen de zilveren medaille van de Maatschappij tot ‘t nut van het Algemeen voor zijn langdurige en trouwe werk als onderwijzer.

Leeuwarder Courant, 18 januari 1856

Leeuwarder Courant, 18 januari 1856

Op 18 januari 1856 werd in de Leeuwarder Courant een advertentie geplaatst: er werd een huis verkocht door de eigenaar Harke Gerbens Hoekstra. De kinderen van Harmen reageren en op 26 januari 1856 werd de provisionele en finale toewijzing middels een notariele akte opgesteld door notaris Daniël Hermannus Andreae. Voor ƒ 1046 werden Dirk, Jeen, Swaantje en Romkje eigenaar van de woning.
Zij bleven daar wellicht tot hun dood wonen en in hun overlijdensakte staat als adres ‘huizinge A 45’.

Het is dus lastig om de exacte locatie van deze gekochte woning te achterhalen. Maar ik dénk [de zoektocht is nog niet helemaal klaar] aan de rood omcirkelde boerderij op de hoek Bumawei – Harmen van Teijenswei. Dat doe ik, uitgaande van het kadastrale nummer in de verkoopadvertentie [sectie B, 853].

In zijn levensverhaal schrijft Harmen van Teijens in 1852: “[…] uit welk echt zeven kinderen zijn geboren, die allen nog in leven zijn en in wier middelen hij op zijn ouden dag een sterke steun vindt en oprechte genoegens smaakt” . Ik lees daarin dat er een zeer hechte gezinsband is geweest en dat vader op handen werd gedragen.

Is het dan raar om dan te denken dat vader Harmen bij zijn niet-getrouwde kinderen inwoonde in huis A45?

Per 1 januari 1859 kreeg Harmen van Teijens na een dienstverband van ruim 62 jaar, eervol ontslag. Hij kreeg ƒ 194 pensioen en leefde daarna nog ettelijke jaren in Westergeest.

Leeuwarder Courant, 27 november 1863

Leeuwarder Courant, 27 november 1863

Op 25 november 1863 stelde burgemeester van Kollumerland c.a. bijgaande advertentie op. Sollicitanten “ter vervulling van de betrekking van Hoofdonderwijzer, in de Openbare Lagere School te Westergeest” werden opgeroepen te reageren. “Aan deze betrekking is verbonden eene vaste jaarwedde van vierhonderd gulden, benevens vrije Woning en Tuin”.
Door die laatste opmerking kunnen we volgens mij uitsluiten dat Harmen van Teijens zijn laatste levensjaren in het schoolhuis [blauwe driehoek] doorbracht.

Harmen van Teijens overleed in Westergeest op 8 november 1872, 95 jaar oud. Hij overleed in huisnummer 265 – misschien is dit het ‘oude’ nummer voor huis A 45?

Weet u ook wat te vertellen ? Of hebt u foto’s. Voel u dan vrij om te reageren op deze post. Samen maken we dan ook deze geschiedenis completer.

bronnen:

Op de valreep

Gerrit Merkus, op 13 januari 1912 in Westergeest geboren, is bijna bij het verlaten van de openbare lagere school in Westergeest nog naar de christelijke school in Triemen gegaan. Wat zou de reden van deze overstap kunnen zijn geweest?


Jan Harms Merkus en Akke Gerrits Lijzinga [collectie Foestrumer Archief]

Jan Harms Merkus en Akke Gerrits Lijzinga [collectie Foestrumer Archief]

Op de valreep. Zo noem ik deze post die ik schreef n.a.v. een vraag via de mail. Omdat Gerrit Merkus op de valreep nog naar de Christelijke school op de Triemen ging.

Gerrit Merkus was de jongere broer van Harmen Merkus. Harmen [1906 – 1977] kennen velen in Westergeest als de vader van Jan Merkus. Harm en Gooitske Dantuma [1912 – 1999]. Veel ‘oud-Westergeastmers’ zullen hen nog als Harms-Goaik kennen. Zij woonden destijds aan de Eelke Meinertswei 22, waar nu Op’e Hichte gevestigd is.

Vader Jan Harmens [30 augustus 1875] was getrouwd met Akke Gerrits Lijzinga [1875 – 1942]. Zij woonden aan de Kalkhúswei. Volgens de gemeentelijke administratie had hij zich opgewerkt van arbeider tot boer. Het gezin was formeel Nederlands Hervormd maar er werd, zoals voor vele kinderen uit Westergeest, gekozen voor de openbare lagere school. En niet voor de Christelijke lagere school die sinds 1885 op de Triemen stond.

Ik weet niet van echte onderlinge onenigheid. Er was wel enige spanning geweest. In het Jaarverslag 1923 van de schoolvereniging werd geschreven dat de onderlinge verhoudingen de laatste jaren niet zo gespannen waren, “waarschijnlijk omdat twee onderwijzers van die school trouwe kerkgangers werden”.

In de notulen van 24 september 1923 werd zelfs geschreven over een actie die gaande was om de openbare lagere school van Westergeest “om te werken” tot een Christelijke lagere school. Niet dat dat een ingeving van het bestuur der vereniging was, maar “in de eerste plaats op de weg van de inwoners van Westergeest” – er was geen bemoeienis van het bestuur.

Algemeen Handelsblad, 27 december 1923

In december 1923 wijdde de gemeenteraad daar een vier uur durende vergadering aan. Het Algemeen Handelsblad schreef daarover een kort redactioneel artikel. En sloot af met de woorden: “Vier leden, waaronder de wethouders, gingen met links mee, zoodat het voorstel om de school niet op te heffen werd aangenomen”.

Per 1 januari 1924, nog geen week na de raadsvergadering, kreeg meester Johannes Westerkamp eervol ontslag, wegens het bereiken van “den pensioensouderdom”. Hij was sinds 1892 “hoofd der school te Westergeest”. Meester werd opgevolgd door J. van Weperen die al op 11 december 1923 was benoemd. Meester van Weperen bleef tot 1930, toen werd hij opgevolgd door meester ter Horst.

Wat er rond die jaarwisseling in het gezin Merkus plaats vond en wat er besproken werd, blijft gissen. Maar het kan zo maar zo zijn dat het Nederlands Hervormde gezin voorstander was van het omzetten van de openbare school naar een Christelijke school.

En dat er na de gemeenteraadsbeslissing in december 1923 voet bij het Christelijke stut werd gehouden. Gerrit Merkus ging naar de Christelijke school op de Triemen.
En dan was het een natuurlijk moment voor verandering.

Op de valreep, dat wel.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

Teade ‘núnder’ Steenstra

Teade 'núnder' Steenstra [collectie Foestrumer Archief]

Teade ‘núnder’ Steenstra [collectie Foestrumer Archief]

… en keapmansaerd siet der net yn” schreef Wietske de Boer – Wiersma. Toch heeft Westergeest ondernemende persoonlijkheden gekend. Teade ‘Núnder’ Steenstra was één van hen.

Teade werd te Westergeest geboren op 19 mei 1896. Hij was de tweede zoon van Hermanus Cornelus Steenstra [1857 – 1922] en Trijntje van der Werff [1861 – 1942]. Teade was getrouwd met Egbertje Reitsma [1898 –  1981]. Hij werd Teade ‘Núnder’ genoemd omdat hij in de wijde omgeving van Westergeest/Driesum handelde in schelpen – ‘núnder’ is een Fries woord voor schelp. Hij ontving de schelpen van Age Vanger [en zonen Kees en Jitze] uit Moddergat en leverde deze vervolgens aan o.a. de kalkovens te Gerkesklooster.

Teade was een handige man en ontdekte al snel dat er meer handel zat in het leveren van fijn gemalen schelpen. Zeker ook nadat het fabrieksmatige vermalen van schelpen tot ‘grit’ voor kippenhokken en dergelijke een grotere vlucht nam. Teade kocht toen een Duitse ‘brekker’ in Groningen en liet de smid de machine op persoonlijk gebruik aanpassen. Maar het bleef zwaar werk.

Uiteindelijk kocht Teade een ‘walsbrekker’, maar daar mankeerde altijd wel wat aan. Zeker toen alles een keer was vastgevroren moest hij er een andere motor in kopen. Een financiële tegenvaller, maar het bleek uiteindelijk een goede zet te zijn.
Teade moest ook een oplossing vinden voor het feit dat hij geen stroom had en de benzine schaars werd. Hij kocht een Amerikaanse windmotor maar dat leverde nieuwe problemen op: stond er te weinig wind, dan waren de schelpen maar deels gebroken – stond er te veel wind, dan werden de schelpen té fijn gemalen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het minder met de kippenhouderijen, waardoor Teade ook minder werk kreeg [na de oorlog trok zijn werk wel weer aan waardoor hij tot 1961 in schelpen en grit bleef handelen]. Om toch geld binnen te krijgen pakte hij veel ander werk op.

Teade en Egbertsje woonden bij de Lange Brug over de Nieuwe Zwemmer. Zij stonden voor iedereen klaar en gaven altijd het beste. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog toen door Pieter Smits Joodse onderduikers bij Teade en Egbertsje onderdak vonden. Onderduikers zoals ‘Jopie en Fie’ en later ene ‘Ronny Naarden’. In 1970 uitte Jopie daarvoor zijn dankbaarheid. Teade en Egbertsje kregen vanwege het 25-jarig bevrijdingsfeest een boom op naam in Israël tijdens een boomplantdag van het Joods Nationaal Fonds.

Teade en Egbertje STEENSTRA [Westergeest] werden onderscheiden met de Yad Vashem onderscheiding. Foekje van der Kooi – Brouwers vertelt wat ze dacht toen ze hun namen tegenkwam op het gedenkteken in Jeruzalem [klik hier voor de geluidsopname die werd opgenomen op 12 december 2015].

Teade heeft 43 jaar bij de Lange Brug gewoond. Hij had daar een bordje “Verboden Toegang” aan de muur gehangen omdat de vissers – die speciaal voor het vissen in de Nieuwe Zwemmer met bussen vol uit de provincie Groningen kwamen – in zijn vensterbanken gingen zitten.
Op 19 maart 1990 kwam Teade ‘Núnder’ Steenstra in Veenwouden te overlijden. Negen jaar na zijn vrouw Egbertje Reitsma, die op 8 februari 1981 overleed. Zij lieten drie kinderen na: Hermanus, Hendrikje en Trijntje. Teade werd 93 jaar.

Weet u meer te vertellen over Teade ‘núnder’ Steenstra. Schroom dan niet om contact op te nemen en help onze [dorps]geschiedenis completer te maken.

bronnen:

Trekwei 13 – paard te water

1914, Trekwei 13 - v.l.n.r.: Sake van der Werff, Pieter Sjoerds van der Ploeg, Romkje van der Werff en haar moeder Geertje van de Werff-Bits [collectie Foestrumer Archief].

1914, Trekwei 13 – v.l.n.r.: Sake van der Werff, Pieter Sjoerds van der Ploeg, Romkje van der Werff en haar moeder Geertje van de Werff-Bits [collectie Foestrumer Archief].

Negen september 1958. Het is nog vroeg. Zeer vroeg, als zwaar onweer over Westergeest trekt. Maar Sake van der Werff, boer op Trekweg 13, moet toch naar buiten. Zijn zevental koeien loopt ergens onder Oostrum en die moeten gemolken worden. Er is geen tijd te verliezen, want rond zeven uur komt melkrijder Bokke Visser [de Dôlle 5] de melk ophalen. Bokke kwam dan met paard en wagen. Hij had een hekel aan wachten.

Sake van der Werff kwam van Broeksterwoude. Daar werd hij op 10 mei 1900 geboren in het gezin van Pieter en Geertje van der Werff – Bits. Een schipper die luisterde naar zijn vrouw, die op de vaste wal wilde wonen. Daarom had Pieter de boerderij Trekwei 13 gekocht.

De boerderij is bekend als ‘De Kelders’ omdat er grote kelders onder de grote gelagkamer waren. Aan huis hadden ze, zoals in die tijd veel vaker voorkwam, een kroegje. Een trochreed, met B-vergunning. In de muur waren ringen bevestigd waaraan de paarden vastgezet konden worden. Paarden van bezoekers die een versnapering kochten. Geen sterke drank – hoewel, bij “Kelders Geartsje” was wel wat te regelen …

Zodoende kwam Sake dus in Westergeest terecht, [ook] als boer aan de Trekwei en werd hij “Sake fan de Kelders”. Op 25-jarige leeftijd trouwde hij met Dieuke Broersma, geboren op 07 november 1899 te Ee. Ze hadden het goed. Rond de zeven koeien, 4 hokkelingen, een honderdtal kippen en tien varkens voor de slacht. In het spekhok hingen worsten en spek.

Sake had in de wijde omgeving landerijen; van ruilverkaveling was nog geen sprake. Daarom liepen zijn koeien in september 1958 ook niet dicht bij huis. En moest hij rond vier uur ‘s ochtends naar buiten. Om zijn koeien te melken. Met paard en wagen, tijdens donder en bliksem langs de Trekvaart. Waar de wegeigenaar op dat moment witte paaltjes klaar had liggen om in de berm geplaatst te worden.

Het paard kon het werk goed aan. Het was een “dikke, zware Bovenlander”. Een Groninger paard met een sterk karakter: “Een zwaar, lang gelijnd warmbloedpaard met een krachtige bouw, een sprekend hoofd, een gespierde middellange hals, voldoende schoft die soepel overgaat in een niet te lange, sterke rug, een tamelijk schuine schouder, een brede en diepe zwaargespierde romp, ronde welving der ribben, een zwaar ontwikkelde achterhand, massief beenwerk met korte platte pijpen en ruime harde voeten. Het temperament is gelijkmatig en toch voldoende levendig. Het paard is sober en werkwillig“.

Leeuwader Courant, 10 september 1958

Leeuwader Courant, 10 september 1958

Prachtige eigenschappen. Maar het paard van Sake was bovendien schichtig. En had de gewoonte om bij schrik achteruit te komen. Voor de boer is leiden dan in last, want hij heeft dan geen enkele controle meer over het dier. En deze beide laatste eigenschappen werden noodlottig.

Sake was nog maar net vertrokken. Hij reed ter hoogte van de Lange Brug, toen de bliksem uit de hemel sloeg. De witte paaltjes langs de Trekwei lichtten flitsend op. Het paard schrok en kwam terug. Langs de kant van de Trekvaart. Sake kon zijn vege lijf redden, maar paard en wagen raakten in de Trekvaart. Het paard kwam los van de wagen en kon naar de overkant zwemmen. Maar de benen raakten verstrikt in de leidsels. Het hoofd werd onder water getrokken. Het paard kon het hoofd niet boven water houden en verdronk.

Tijdens een fotoavond in De Tredder vertelde Jappie van der Werff: “Heit kaam te gean wer thús”.
Op 20 februari 1972 overleed Sake, Dieuke overleed op 16 juni 1990. Ze hadden twee kinderen.

Misschien weet u meer te vertellen? Schroom dan niet om dan contact op te nemen. En help op die manier mee onze [dorps]geschiedenis completer te maken.

bronnen

Aaltje D., “de Friesche taalkampioene”

bron: Leeuwarder Courant, 5 mei 1936

bron: Leeuwarder Courant, 5 mei 1936

Aaltje D. Zo staat ze omschreven in de krantenberichten van die tijd. Aaltje D. van Zandbulten. Ze werd op 14 maart 1936 “in ’t bulterige zandland” bekeurd. Ze had geen licht op de fiets. De Rijksveldwachter van Kollumerzwaag die de bekeuring uitschreef zal nog geen idee hebben van wat hij in gang zette.

bron: Leeuwarder Courant 24 mei 1935

bron: Leeuwarder Courant 24 mei 1935

Was de rijksveldwachter misschien J. Hovinga, die in mei 1935 van Drachten naar Kollumerzwaag was gekomen?

Tijdens de zogenoemde Woudzitting op 29 april van dat jaar moest Aaltje zich in Leeuwarden verantwoorden voor de kantonrechter. Aaltje verzekerde de rechter: “Mar hy barnde wol!” en zo volhardde ze in zowel haar standpunt als ook in haar Fries taalgebruik.
Op de opmerking van de rechter “Je moet hier Nederlands spreken”, antwoordde Aaltje in de trant van “Dat is ús taal net – wy binne Friezen!”. En “Mijnheer kin tinke wat er wol, mar ik liig net”.

Het is mij nog niet echt duidelijk wie deze Aaltje D. was.

Wel kom ik op een andere manier een Aaltje Douma van Zandbulten tegen. Aaltje Douma werd geboren op 4 juli 1914 en overleed op 15 juli 1993. In 1945 kreeg zij met Epke de Roos een dochter. Deze Lykelina de Roos overleed toen ze drie maanden oud was op 21 juli 1945. Epke de Roos werd geboren op 16 juli 1908 en overleed op 10 augustus 1996. Beiden liggen begraven op het kerkhof te Kollumerzwaag.

Omdat Aaltje volhield wilde de rechter de “veldwachter” laten komen en verdaagde hij de zitting naar 7 mei 1936. De verslaggever van de Leeuwarder Courant, die de zitting in de krant van 30 april 1936 beschreef, sloot zijn artikel af met de woorden van Aaltje: “Dei mei elkoar”.

Een week later werd een redactioneel artikel geplaats in enkele kranten onder de titel “De Friesche taalkampioene”. En verscheen een huldebetuiging van een onbekend gebleven Fries.

Uiteindelijk kreeg Aaltje “die hier de fakkel voor ‘ús tael’ zoo glorieus omhoog hield en in de avond van 14 maart heeft gereden met een onverlicht rijwiel” een verstekvonnis van vijf gulden boete of vijf dagen hechtenis opgelegd. Hoger beroep was niet mogelijk.

Weet u ook wat te vertellen over deze gebeurtenis? Weet u wie Aaltje D., “de Friesche taalkampioene” was? Voel u dan vrij om te reageren op deze post. Samen maken we dan ook deze geschiedenis completer.

Westergeest en de 80-jarige oorlog

Slag bij Heiligerlee [collectie Museum Slag bij Heiligerlee]

In 1568 begon de 80-jarige oorlog toen een bevrijdingsleger onder leiding van Lodewijk en Adolf van Nassau Groningen binnenviel. Tijdens de Slag bij Heiligerlee op 23 mei haalden de opstandelingen hun eerste overwinning. Hotse of Horatius Buma, in 1590 eigenaar van “Buma saete oppe Triemen”, nam deel aan deze slag en stond daarbij aan de zijde van de Nassaus. Daarom werd hij in 1569 verbannen.
Na de slag bij Jemgum [Oost Friesland] kwam een deel van de soldaten via ons gebied richting Leeuwarden. Met hen kwamen ook hun vrouwen en kinderen en de bewoners van onze omgeving moesten hen van voedsel, geld en paard & wagens voorzien.

‘Steatske soldaten’ haalden in onze omgeving het kerkzilver, misboeken en kleding uit de kerken om daarmee de strijd tegen de Spanjaarden te kunnen betalen. Ongetwijfeld zijn zij ook in de kerk van Westergeest geweest.
S. J. Van der Molen 43 schrijft in zijn boek “achtkarspelen” [1962] over een schoolmeester die mogelijk door de Spaansgezinden werd vermoord vanwege zijn verzet tegen de Spanjaarden. Het tekent de zeer roerige tijd, gevaarlijk voor de Hervormden en vijanden van Spanje, waarbij onze omgeving zich in de frontlinie bevond.

Rond 1580 koos stadhouder Rennenberg [George van Lalaign, stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel] partij voor de Spaanse koning. Deze stap is de geschiedenis ingegaan als het Verraad van Rennenberg. Fryslân bleef achter in het “kamp van de Opstand”, wat concreet inhield dat er in onze omgeving oorlog uitbrak.

Harmen Arends Idema [collectie dr. Oebele Vries]

Op 9 juli 1580 vielen de Spanjaarden en Spaansgezinden vanuit Kollum Dokkum aan, wat overigens niets opleverde. In de zomer van 1581 werd er zo hard gevochten dat “de gestaltenisse van Vrieslandt ellendich ende desolaet geweest is”.

Een jaar later was er vrijwel geen boer meer te vinden in de driehoek tussen Groningen, Leeuwarden en Dokkum – veel protestanten vluchtten naar Leeuwarden, Rooms Katholieken vluchtten naar Groningen.
Harmen Arends Idema werd ergens tussen 1580 / 1590 te Dokkum geboren. Verondersteld wordt dat boer Arend Bauckes en Jantsje Harmens [boer en boerin op de terp Westerburen] naar Dokkum zijn gevlucht, waar hun zoon Harmen Arends Idema werd geboren.

Ane Sapesz. en zijn vrouw Jents Jansendr. uit Westergeest kregen in de herfst van 1581 de pest en stierven. Zij waren naar Leeuwarden gevlucht ‘vermits de crijghsloepen ende beroerten’.

In 1594 viel Groningen in handen van de broers Maurits en Willem Lodewijk; de oorlog was voorbij en het normale leven kon weer worden opgepakt.

dodenherdenking 2018

foto Renske Smit – Dijkstra

Op 4 mei 2018 werd in Westergeest de traditionele dodenherdenking gehouden. Kinderen en volwassenen legden bloemen op de graven van omgekomen piloten. Jonge mannen die op 13 oktober 1941 en op 5 mei 1943 hun leven gaven voor onze vrijheid.

Onder de aanwezigen waren een zoon en dochter van één van hen: Ernest Robert Butson Magrath, uit Maidenhead – Berkshire, 28 jaar oud, sergeant, boordwerktuigkundige en schutter.

Zij kregen uit handen van Heine Steenstra een foto van het herdenkingsbord zoals dat bij de ‘Gerkesbrêge‘ geplaatst gaat worden.