hystoblog

Historie Westergeest beschreven

auteursrecht

Ik doe mijn uiterste best de rechten met betrekking tot de illustraties te regelen volgens de bepalingen van de Auteurswet. Zij die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, worden verzocht contact met mij op te nemen.

Alsengem gevonden

Alsengem [collectie Omrop Fryslân] en zandstenen grafzerk [eigen foto]

Alsengem [collectie Omrop Fryslân] en zandstenen grafzerk [eigen foto]

Een klein blauw steentje. Een knoopje met ingekraste figuurtjes. Oebele Vries zette daar grote ogen over op. En noemt de vondst heel bijzonder. Terecht!

Ik kan in deze ‘Út ús ferline’ óók niet om dat steentje van glas of halfedelsteen met ingesneden versiering heen. Het ís gewoon een spectaculaire vondst. Het is ook niet voor niks dat het Kollumer Museum blij is dat de vinder en Westergeastmer Henk Dijkstra het knoopje voor vijf jaar beschikbaar heeft gesteld.

Wat zijn gemmen precies?

De ronde of ovalen gemmen zijn van blauwe glaspasta, waarbij op een donkere onderlaag van glas een dunner blauw bovenlaagje werd gesmolten. De ingesneden mensfiguurtjes zijn er vermoedelijk met een metalen voorwerp ingekrast, variërend van 1 tot en met 4 figuurtjes. De gemmen zijn over het algemeen 2 – 3 centimeter.

Deze gemmen worden Alsengemmen genoemd, naar het eiland Alsen◥ aan de oostkust van Zuid-Jutland. In 1871 werd daar de eerst gepubliceerde gem aangetroffen. Let op, de eerst gepublicéérde, want in 1846 kwam er al een gem bij Birdaard uit een terpopgraving boven.

Er zijn in heel Europa iets meer dan honderd bekend, waarvan rond de 20 uit Friese bodem. Ze komen voor in kerkschatten, wat er op kan wijzen dat ze uit de periode van 1000 – 1200 komen.

In mijn boek Foestrum◥ schreef ik al heel kort over deze steentjes. Ook omdat ik een relatie denk te zien tussen de figuurtjes op de Alsengemmen en de drie figuurtjes op één van de oudste grafzerken◥ in onze kerk.

Op deze zandstenen zerk [69-91 x 233 cm] staan versieringen die op palmboompjes lijken en een figuur gekleed in een lang gewaad met daarboven de drie kleinere figuurtjes. Het lijkt er vanwege de vorm op dat het gaat om een sarcofaagdeksel.

De naam van degene voor wie deze eeuwenoude zandstenen grafsteen is gemaakt is onbekend. Toch valt te denken aan een vooraanstaand persoon van adel of een hoge geestelijke. Het viel niet mee om een dergelijke zerk te maken; het vakmanschap plus het risico op breukschade en kostbaar vervoer maakten het een kostbare onderneming die zeker niet door iedereen te dragen was.

Maar terug naar de Alsengemmen. Deze werden zeer waarschijnlijk gemaakt in Keulen. Een aartsbisdom en ook wel het ‘Rome van het noorden’ genoemd. Keulen werd rond 1164 het middelpunt van de verering van de heilige Drie Koningen. De beenderen van deze Drie Koningen werden toen naar Keulen overgebracht waardoor deze stad ook een belangrijk bedevaartsoord werd. En de Drie Koningen waren beschermheiligen van o.a. de pelgrimgangers.

Zodoende werden de Alsengemmen door de pelgrimgangers gebruikt als gewijde devotiepenningen [of amuletten, zo je wilt] die het altijd loerende gevaar tijdens de pelgrimstochten moesten afweren. En de pelgrims moesten beschermen.

Daarom houden de mensfiguurtjes elkaar de hand vast en kijken ze elkaar aan. Op gemmen waar drie figuurtjes zijn ingekrast lijken de twee buitenste de middelste in de gaten te houden. De pelgrim werd beschermend begeleid.

Het zou zomaar zo kunnen zijn dat de drie figuurtjes op de grafzerk in onze kerk dus ook duiden op de Drie Koningen. En de op de grafzerk afgebeelde gestorvene beschermend begeleiden naar zijn laatste bestemming.

En dat past in de algemene veronderstelling dat de Alsengemmen een Christelijke betekenis hebben gehad.

Het kleine, blauwe steentje dat vlak bij de kerk werd gevonden en de eeuwenoude grafzerk in de kerk lijken te wijzen op de verering van de Drie Koningen. En dat terwijl Westergeest was verbonden aan het bisdom Utrecht – het bisdom dat in een onderlinge machtsstrijd met het aartsbisdom Keulen verwikkeld was.

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

Bronnen:

architect Eldering

  • Geboren op 11 maart 1854 te Suameer
  • Overleden op 08 januari 1932 te Hoogkerk

Cornelis HermanCornelis Herman Eldering [collectie Eldering genealogie] Eldering [collectie Eldering genealogie]

Cornelis Herman Eldering [collectie Eldering genealogie]

Cornelis Herman Eldering was de oudste zoon van Hermanus Hermanus Eldering [1827 – 1901] en Joukje Kornelis Sikkema [1827] uit Suameer. Van vader Hermanus Eldering weten wij dat hij in 1885 bestek inleverde voor de bouw van de nieuwe Christelijke school Triemen / Westergeest. Hij stond op 9 juli van dat jaar met het verenigingsbestuur op het aangekochte terrein op de Triemen en kreeg opdracht om bestek en tekening te maken, m.u.v. de schoolbanken.

Misschien was zoon Cornelis toen al veel meer betrokken bij het tekenen en is de school al één van zijn eerste ontwerpen. Het was de tijd dat vader Hermanus zijn zoon Cornelis de kneepjes van het architectenvak leerde. En mogelijk zette de schoolbouw een voet tussen de deur want daarna was zoon Cornelis Eldering betrokken bij meerdere bouwactiviteiten in Westergeest e.o.

Zo is Triemen 5, één van de woningen of gebouwen in Westergeest/Triemen van de architecten-hand van Cornelis Herman Eldering. Maar was hij ook betrokken bij:

  • 1895: Afbreken van een Staatschool en bouwen van een Burgerwoning Westergeest, namens de kerkvoogden. Dit lijkt mij het oude schooltje op de hoek Tsjerkepaed / Kalkhúswei.
  • 1905: Afbreken en bouwen van Eelke Meinertswei 13◥, een Stelpbehuizing te Westergeest namens ds. W. Stoel bewoond door H. de Bruin te Westergeest.
  • 1908: Het bouwen van Eelke Meinertswei 4◥ voor J. Fokkema Fzn. –  Jan Fokkes Fokkema [1852 – 1916] was boer en landheer, had zitting in de Staten van Friesland en was hoofdbestuurslid geweest van de Christelijk-Historische Unie. Hij was de vader van dr. Fokke Jan Fokkema◥. Zijn weduwe, Wiepkje Fokkema de Bruin [1858 – 1953], bleef er wonen tot haar overlijden in 1953. Omdat het huis van de weg gescheiden is door een gracht, een theehuisje bezit en verscholen gaat onder een beuk, noemde men deze woning “It Slotsje”.

Op 15 mei 1878 trouwde Cornelis met Jitske Klazes Elzinga. Twaalf jaar later kwam Jitske te overlijden en stond Cornelis als 36-jarige weduwnaar met vier zonen aan haar graf. Hij kon uit dit droevige dal komen en opnieuw in het huwelijk treden. Op 30 april 1892 werd de 33-jarige weduwe Barbertje Zijlstra zijn vrouw.

Eldering, de man die tot in Amsterdam zijn sporen heeft nagelaten, was geen Westergeastmer. Maar wel een man die ook een stempel heeft gedrukt op Westergeest en daarom een plek verdienen in onze dorpshistorie.

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

bronnen:

  • “De Gebouwde Erfenis”, Bertus Fennema
  • “Groote Dingen” [100 jaar Christelijk onderwijs Triemen/Westergeest]
  • “Foestrum”
  • Eldering Genealogie◥

Johannes was zijn naam

In maart 2021 kreeg ik een mail van Hanneke Hoekstra met een bijzondere toevalligheid. Toen ze mijn ‘post’ “De dienstmeid die ook boerin werd …las viel haar de geboortedatum van Sieds Kloosterman op. Plus het feit dat Sieds “buiten huwelijk” werd geboren. In Westergeest.

Hanneke zag direct de overeenkomsten met haar directe voorouders: Maaike Johannes van der Schaaf en haar zoon Johannes. Johannes werd ook te Westergeest geboren. Ook buitenechtelijk. Ook op 28 januari 1857. Zijn geboorteakte heeft nummer 14 meegekregen, direct volgend op de geboorteacte van Sieds Kloosterman.


"Johannes en Janke" 65 jaar getrouwd [bron Leeuwarder Koerier]

“Johannes en Janke” 65 jaar getrouwd [bron Leeuwarder Koerier]

 

Twee Westergeastmers. Twee ongehuwde moeders die op dezelfde dag een zoon krijgen. Het werd de aanleiding om uit te zoeken wie Johannes was en werd.

  • Geboren op 28 januari 1857 [’s nachts “ten drie ure”] te Westergeest
  • Overleden op 19 januari 1953 te Driesum.

Zijn moeder, Westergeastmer Maaike Johannes van der Schaaf, werd op 13 juli 1825 geboren in het gezin van Johannes Mients van der Schaaf en Antje Pieters de Boer. Op 32-jarige leeftijd kreeg zijn haar enigste kind Johannes – de vader is voor ons onbekend gebleven. Zeven jaar later verhuisde Maaike met Johannes naar Driesum.

Op 07 september 1865 trad dienstbode en moeder Maaike op 40-jarige leeftijd in het huwelijk met de tien jaar oudere dagloner Dirk Jans Alberda. Zij overleed vlak voor Kerst op 23 december 1910 en is 85 jaar geworden.

Haar zoon Johannes van der Schaaf staat in het Dienstboden Kollumerland, 1880 – 1890 vermeld als dienstbode. Het adres is vrij onduidelijk, maar wat wel duidelijk is dat het een huizinge B is – zeer vermoedelijk dus in het huidige oosten van Kollumerzwaag. Per 02 juli 1880 werd hij uitgeschreven naar Dantumadeel.

En daar lijkt een trend te ontstaan: meerdere keren werd kennelijk verhuist van de ene gemeente naar de andere gemeente. Want het lijkt er op dat hij, toen hij 12 november 1881 trouwde, in Oudwoude woonde. Als 24-jarige arbeider trad hij in het huwelijk met de toen 21-jarige dienstmeid Janke de Jong uit Akkerwoude. In het bevolkingsregister Kollumerland, Oudwoude [1890 – 1900] staat vermeld dat Janke op 21 november 1881 vanuit Dantumadeel bij hem kwam wonen. Is hier sprake van een verschrijving van de ambtenaar?

Hoe dan ook, per 16 mei 1882 worden ze beiden uitgeschreven naar Dantumadeel om per 03 juli 1890 weer in Kollumerland ingeschreven te worden. Met vijf kinderen komen ze in “huizinge A no 85” te wonen:

  1. 07 januari 1882, Maaike
  2. 22 mei 1884, Pieter
  3. 26 augustus 1885, Dirk
  4. 20 juli 1886, Leentje
  5. 06 juli 1888, Jan

Mogelijk werd in dat huis hun dochter Hiltje geboren op 23 november 1890.

Vervolgens staan ze ingeschreven in het Bevolkingsregister Kollumerland, Kollum – 1880 – 1900 in “huizinge A no 202”. Van daar uit vertrok het Nederlands hervormde gezin op 13 juni 1893 weer naar Dantumadeel.

Maar daar wachtte hen het noodlot. Enkele weken na de verhuizing kwam hun dochter Maaike te overlijden. Op de eerste augustus 1893, en stonden ze aan het open graf van hun eerstgeborene.

Toen op 07 januari 1895 nog een dochter werd geboren, kreeg dit meisje weer de naam Maaike. Op 14 januari 1900 werd hun Benjamin geboren, die ze Meindert hebben genoemd.

Jaren later, tijdens hun 65-jarig huwelijksfeest, werden ze door meer dan 250 mensen gefeliciteerd – uiteraard ontbrak de burgemeester daarbij niet. De journalist van de Leeuwarder koerier schrijft een kort artikel bij een foto van “de volksdichter Jacob van der Schaaf en zijn  vrouw Janke, ‘de baakster’”.

Voor vrijwel alle gebeurtenissen in Driesum klom âlde Jacob in de pen en schreef hij een gelegenheidsgedicht. De geschreven gedichten lagen bij Janke in de Bijbel. Janke was baakster en “menigeen uit de Dokkumer Wouden, heeft zijn of haar voorspoedige intrede in dit ondermaanse bestaan te danken aan haar rappe handen”.

Janke de Jong overleed op 12 oktober 1947, 87 jaar oud. Johannes van der Schaaf, de ‘volksdichter‘ van Driesum overleed op 95-jarige leeftijd.

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

Bronnen:

  • Hanneke Hoekstra
  • Leeuwarder Koerier, 13 november 1946
  • allefriezen.nl
  • Dineke Visser op Facebookpagina Âld Driezum

Dranksmokkel in Westergeest

zoekfotoHet staat daar echt. In het Nieuwsblad van Friesland, 01 november 1935. Het is in dit geval niet zo lastig om de ‘smokkelaar’ te identificeren. Kruidenier Folkert A. kan in mijn beleving alleen maar Folkert Attema zijn. Kruidenier in ons dorp.

Folkert Attema werd geboren op 13 augustus 1888 te Heeg en begon zijn werkzame leven als knecht bij zijn vader, boer Auke Folkerts Attema.

Hij was op 02 mei 1914 getrouwd met boerendochter Lazina Jouwsma, geboren op 29 april 1888 te Winsum. Vanaf zijn huwelijk was hij lid van het Friesch Dagblad.

Samen kregen ze 8 kinderen; twee meisjes en zes jongens – 5 van hen zijn vertrokken naar het buitenland.

Nadat Attema zelf ook boer was geweest, begon hij in mei 1926 te Westergeest een kruidenierszaak. Aan de Bumawei 2.

Westergeastmer ‘jongbazen’ probeerden Attema wel uit de tent te lokken. Zij vingen in de donkere uren spreeuwen bij wat later de Fokkema’s Pleats zou worden. Deze gevangen spreeuwen lieten ze los in de winkel van Attema. Als Attema dan het licht aanknipte moet Leiden in last zijn geweest. Folkert en zijn vrouw hebben met een open winkeldeur, handdoeken in de hand en met moeite de spreeuwen naar buiten kunnen jagen.

Tussen de bedrijven door was de Gereformeerde Attema actief in het kerkelijke en maatschappelijk leven als diaken, ouderling, lid van het schoolbestuur, penningmeester van het Groene Kruis en lid van de Woningcommissie Kollumerland. Maar ook als voorzitter van de AR-kiesraad heeft hij meer dan 20 jaar veel werk verzet. Allemaal “in het belang van de gemeenschap, met liefde”.

Het was de tijd van de verzuiling. De samenleving was op basis van overtuiging in groepen verdeeld. En de Gereformeerde Attema had dus ook Gereformeerde klanten, zoals Jan en Saakje Steringa – Poortinga van Keatlingwier. Tweewekelijks bracht Folkert Attema een bezoek om de boodschap-wensen op te nemen. Maar tussendoor werden de kinderen wel eens om een boodschap naar Westergeest gestuurd, en die hadden dan een heel eigen reden om uit hun Gereformeerde zuil te komen.

Want, wat was het geval.

De Nederlands Hervormde herbergier Folkert Boonstra [1856 – 1942] had met zijn vrouw Johanna Hibma [1859 – 1941] ook een kruidenierszaak. In wat nu Herberg Foestrum is. Folkert Boonstra zal een Nederlands hervormde klantenkring hebben gehad en bracht de boodschappen rond met paard en wagen. Ook bij hem kwamen kinderen wel een tussentijds een boodschapje halen. En Folkert Boonstra had dan de gewoonte om de kinderen op een snoepje te trakteren. Folkert Attema had die gewoonte niet. Verzuilde principes werden daarom door de kinderen aan de kant gezet voor dat snoepje … zal moeder Steringa ooit geweten hebben waar haar tussendoor gekochte boodschappen vandaan kwamen?

zoekfotoEven terug naar Folkert Attema en zijn vrouw Lazina Jouwsma. Vierendertig jaar stonden hij en Lazina achter de toonbank in Westergeest – tot zijn 72e jaar. Toen vetrokken ze rond 1960 naar Dokkum – de Dokkumer familie De Beer trok in de winkel.

Het waren moeilijke jaren, maar ook gezegende jaren” zullen Folkert en Lazina later een journalist vertellen. Het was een periode waar ze jaren later, in Dokkum, met heimwee naar terug keken. Tot hun dood klopte “hun beider hart voor Westergeest. Der is en bliuwt in bân”. Die dood kwam voor Folkert Attema op 11 mei 1984. Zijn vrouw Lazina stierf op 12 april 1990.

Ze liggen begraven in hun geliefde Westergeest.

Bronnen:

Is Westergeest altijd Westergeest ?

Zo nu en dan krijg ik de vraag naar een adres. Een adres in Westergeest, waar [bet]overgrootouders van de vragensteller hebben gewoond. Ik ben blij met dit soort vragen, die op het eerste gezicht gemakkelijk lijken. Maar het vinden van een antwoord vraagt vaak om puzzelen.

Een mooi voorbeeld daarvan ondervond ik tijdens mijn zoektocht naar de vraag of voorouders van Sijtze van der Wal [1900 – 1974] en Maria Postma [1903 – 1989] in Westergeest hebben gewoond.

In meerdere geboorte- en overlijdensaktes van de [bet]overgrootouders staat Westergeest op de een of andere manier genoemd: de geboorteakte van Sijtze van der Wal bijvoorbeeld lijkt heel duidelijk. Zijn vader Rudmer van der Wal, “oud tweeëndertig jaren, arbeider wonende te Westergeest” deed aangifte van geboorte. En ook de op 16 juni 1903 opgestelde geboorteakte van Maria Postma lijkt duidelijk. Haar vader “Geert Postma, oud tweeëntwintig jaren, arbeider wonende te Westergeest” deed aangifte van haar geboorte.

Toch is het niet zo gemakkelijk!

Want tot rond 1941 werden de inwoners van de Triemen, Zwagerveen, Hanenburg en Zandbulten tot Westergeastmers gerekend. Een vermelding over “wonende in Westergeest” voor die datum kan dus ook betekenen ‘wonende te Zwagerveen’. Of Triemen, Hanenburg of Zandbulten ..

Een aanknopingspunt ka dan gevonden worden in overlijdensaktes. Want overlijdensaktes van rond 1900 vermelden ook de woning waarin de overledene stierf. 

De grootouders van Maria Postma bijvoorbeeld waren Hendrik Postma [1880 – 1887] en Trijntje Postma [1853]. De 37-jarige Hendrik Postma overleed op 29 december 1887. De afmelders waren de 42-jarige Renze Hanenburg en de 37-jarige Harm Zijlstra. Zij verklaarden dat Hendrik was overleden “op den negenentwintigsten dezer maand, des morgens ten twee ure te Westergeest in huizinge nummer honderdzesendertig Wijk B”.

Het één op één ‘vertalen’ van “huizingenummers” naar een huidig adres is heel lastig. Want er is in de loop van de jaren meerdere malen werd ‘omgenummerd’. Met alleen het gegeven dat Hendrik Postma overleed in “huizinge nummer honderdzesendertig Wijk B” weten we dus eigenlijk nog niets. En moeten we verder puzzelen.

Daarvoor gaan we bekijken wie de ‘afmelders’ waren. Want als er rond 1900 iemand stierf waren de zes naaste buren verplicht om alles rondom het overlijden en begrafenis te regelen. Dit heette de zogenaamde ‘burenplicht’. De twee directe buren gingen in het dorp ‘leedzeggen’. En moesten aangifte van overlijden doen op het gemeentehuis in Kollum. Afmelden◥ werd dat ook wel genoemd. Dat ‘afmelden’ ging natuurlijk met het grootst mogelijke respect waarvoor [zelfs] het zondagse pak werd aangetrokken.

Van de overgrootvader van Maria Postma weten we dus door de overlijdensakte wie zijn [naaste] buren waren: de 42-jarige Renze Hanenburg en de 37-jarige Harm Zijlstra.

Want inderdaad, ook hier lijkt de burenplicht op te gaan. Want toen [buurman] Rinze Hanenburg enkele jaren later in 1891 overleed, staat in zijn overlijdensakte dat hij stierf “te Westergeest in de huizinge Wijk B nummer Eenhonderddertig”. In de buurt van de woning waar Hendrik Postma overleed. Zijn ‘afmelders’ waren de 50-jarige schoenmaker Halbe Bouwes Zijlstra en de 25-jarige voerman Wietze Komrij.

Maar via de ‘afmelders’ weten we nog steeds niet precies waar “huizinge nummer honderdzesendertig Wijk B” of “huizinge Wijk B nummer Eenhonderddertig” gezocht moeten worden – de puzzeltocht is nog niet klaar ! En we moeten verder kijken. En zoeken.

Een jaar eerder, in 1890, kwam Nanne Folkerts Klazinga te overlijden. Schoenmaker Halbe Zijlstra was toen als buurman ook ‘afmelder’ van het overlijden van Nanne Folkerts Klazinga, die overleed “in de huizinge Wijk B nummer honderdtweeendertig”. Schoenmaker Halbe Zijlstra kenden we al als ‘afmelder’ van Hendrik Postma ..

Leeuwarder courant van 26-03-1890

En dan, eindelijk, krijgen wij via deze omweg zicht op een exacter woonadres. Want in de Leeuwarder courant van 26-03-1890 staat een overlijdensadvertentie van Nanne Folkerts Klazinga.

Nanne Folkerts Klazinga woonde te Zwagerveen !

En met hem natuurlijk ook zijn buren Hendrik Postma en Trijntje Postma, de grootouders van Maria Postma …

Het is mooi puzzelwerk, en via omwegen weten we uiteindelijk dat voorouders van van Sijtze van der Wal [1900 – 1974] en Maria Postma [1903 – 1989] niet in het huidige Westergeest hebben gewoond. Maar in Zwagerveen, nu Kollumerzwaag.

Heeft u ook zo’n soort vraag?

Beitske Gerbens Bosma

  • Geboren op 14 juli 1830 te Optwijzel
  • Overleden op 06 december 1879 te Zwaagwesteinde

overlijdensakte Beitske Gerbens Bosma

Beitske Gerbens Bosma viel mij op. Toen ik bezig was met het schrijven van ‘posts’ over karrijders uit Zwaagwesteinde. En daar kennelijk [stief]broers in het overzicht voorkomen – kinderen van Beitske Gerbens Bosma: karrijder Gerben Bosma [*1869] en karrijder Hendrik Bosma [*1876].

Er is tot nu toe niet veel over haar leven bekend, maar ik veronderstel dat haar leven niet gemakkelijk was. In 1871, toen ze rond de 40 jaar was en moeder van enkele kinderen, stond ze voor de rechter vanwege bedelarij.

Beitske Gerbens Bosma werd geboren in het gezin van Gerben Hendriks Bosma en Jantje Korporaal. De in Kooten geboren Gerben Hendriks was 22 jaar toen hij op 26 september 1824 in het huwelijk trad met de 29-jarige Jantje Jans Korporaal. Moeder Jantje Korporaal was geboren in Westergeest en dochter van Jan Louws Korporaal en Beitske Jans Ley.

Terug naar Beitske zelf – op 01 juni 1858 kreeg zij voor zover ik kan nagaan haar eerstgeboren zoon, maar dat kindje was levenloos. Iets meer dan een jaar later werd vlak na Kerst Jantje Bosma geboren op 27 december 1859. Dan kom ik ook ene Jan Femmes Dijkstra tegen. In  de geboorteakte van Jantje Bosma staat hij vermeld als degene die aangifte van geboorte deed. Jan Femmes was een 25-jarige koopman en woonde te Twijzel. Jantje werd geboren “ten huize en in tegenwoordigheid van hem aangever”.

Vanuit die gegevens geredeneerd werd Jan Femmes rond 1834 geboren en is hij het die op 16 juni 1862 stierf. Achtentwintig jaren jong en – let wel! – ongehuwd.

En volgens het bevolkingsregister blijkt hij rond die tijd inderdaad ongehuwd te zijn. Sterker nog, als Jantje Bosma op 22 april 1882 in het huwelijk treed met de 25-jarige Douwe Eelkes Zuidema, staat in haar huwelijksakte dat zij een niet erkende dochter is van Beitske Gerbens Bosma. Haar voogd is arbeider Hendrik Gerbens Bosma te Twijzel. Toeziend voogd is Johannes Johannes van der Bij, eveneens arbeider te Twijzel.

Niet erkend wil dan volgens mij zeggen dat het kind buitenechtelijk werd geboren – en een trend ontstond.

  • Op 18 december 1862 werd Jan geboren. Jan werd stoelenmatter, woonde toen hij met Antje Westra trouwde te Zwaagwesteinde en was volgens de huwelijksakte een “natuurlijke niet erkende meerderjarige zoon van Beitske Gerbens Bosma”.
  • Op 06 februari 1869 werd Gerben geboren. In de geboorteakte staat vermeld dat Beitske dan “weduwe van Jan Femmes Dijkstra” was. Gerben werd eveneens stoelenmatter. En net als zijn [stief]broer woonde hij te Zwaagwesteinde. Ook in zijn huwelijksakte met Baukje Smid staat bijna zakelijk vermeld dat hij een “natuurlijke niet erkende meerderjarige zoon van Beitske Gerbens Bosma” was.
  • Tenslotte werd het 19 april 1876 en Hendrik werd geboren. Toen Hendrik in 1907 in het huwelijk trad met Haebeltje Dijkstra, heeft de ambtenaar ook bij hem dezelfde zinsnede in de huwelijksakte geschreven: “meerderjarige niet erkende natuurlijke zoon van Beitske Gerben Bosma”.

Nog geen vier jaar na de geboorte van haar jongste zoon Hendrik, kwam Beitske op 43-jarige leeftijd te overlijden. Op de zesde december 1879 kwam ’s middags om 16.00 uur een einde aan haar misschien wel bewogen leven.

In haar overlijdensakte staat dat ze geen beroep had en te Zwaagwesteinde woonde. Maar ze was, aldus de akte, wel weduwe van Jan Femmes Dijkstra …

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

Bronnen:

Fokje Tsjoenster: “Manlju kinne tsjoene, froulju net”.

150 jaar Gereformeerde Kerk Westergeest, Zwagerveen, Kollumerzwaag“, bladzijde 53.

In onze omgeving zijn ook “mensen, die zich bezighouden met vreemde, bovennatuurlijke zaken”. Ook leden van de kerk waren bang voor kwade machten. In het jubileumboek staat: “‘Fokje Tsjoenster”, de waarzegster aan de Foarwei, had op zondagmiddag evenmin over belangstelling te klagen”.

Dat maakte mij heel nieuwsgierig naar deze Fokje.

Een oproep op Facebook leverde een reactie op. Fokje zou gewoond hebben tegenover wat nu Het Lichtpunt is. Daar stonden toen twee huisjes achter elkaar.

En toen kwam ik terecht op de Nederlandse Verhalenbank. Veel van de door J. J. Jaarsma verzamelde verhalen zijn daar te lezen. Ook verhalen over “âlde Japiks Fokje”, afkomstig van Harkema. Deze “âlde Japiks Fokje” zei altijd dat alleen mannen bovennatuurlijke dingen kunnen doen. Vrouwen niet: “manlje kinne tsjoene, froulju net”. Nee, Fokje ‘tsjoende’ niet, zij kon kaartlezen. Daarmee voorspelde Fokje aan jonge mannen of ze gingen trouwen met hun vriendin, of dat het slechts een scharrel was.

Maar Fokje zag ook zogeheten ‘gezichten’. Een van haar bezoekers vertelde dat zijn zwangere vrouw in het ziekenhuis werd opgenomen en hij naar Fokje ging. Haar boodschap was duidelijk: “Jullie krijgen het kind niet thuis, ik heb ’t vannacht in een wit kistje zien liggen”. En zo gebeurde het ook – het kind kwam in een wit kistje, ook al had de jonge vader daar geen toestemming voor gegeven.

De vertelde gebeurtenissen geven geen doorslag in de zoektocht naar haar identiteit. Maar wat er tussen de regels bijgeschreven staat mogelijk wel; “âlde Japiks Fokje” uit Harkema.

Let op – het onderstaande is nog steeds een aanname op basis van drie overeenkomsten uit bovenstaande inleiding: 1e Op 28 mei 1921 trouwde ene Fokje van der Meer met de Jacob Medemblik. 2e Deze Fokje van der Meer was geboren te Harkema-Opeinde. 3e Samen woonden ze te Kollumerzwaag.

Fokje van der Meer werd geboren op 02 januari 1861 te Harkema-Opeinde en was een dochter van Roel Sytzes van der Meer en Aukje Martens de Vries. Zij is getrouwd geweest met arbeider Jantjen van der Heide [1854]. Die huwelijksvoltrekking vond plaats op 15 juni 1893. Samen kregen ze twee kinderen:

  1. Aukje, 09-03-1894 [Harkema Opeinde]
  2. Luitzen Pieter, 25-10-1889 [Harkema Opeinde]

Fokje was, volgens het bevolkingsregister Nederlands Hervormd terwijl haar eerste man Jantjen Gereformeerd was. Samen zijn ze van mei 1915 – mei 1916 ingeschreven in Burum, register van Kollumerland c.a. 1910 – 1920. Dat kan er op duiden dat Jantjen zich als ‘los arbeider’ bij boeren in dienst was: op 12 mei was het Âlde Maaie. Ze waren nog maar net uit Burum vertrokken, of boerenarbeider Jantjen stierf op 22 juli 1916. Op 62-jarige leeftijd te Leeuwarden maar “wonende Sijbrandahuis, gemeente Dantumadeel”.

Jacob Medemblik was een zoon van Sjouke Harts Medemblik en Jacoba Jacobs Blok. Op 25 juli 1896 trouwde hij met de toen 24-jarige Antje Eelkes Hulsinga uit Bergum. Samen kregen ze drie kinderen, maar stonden ze ook aan het graf van één van hen:

  1. Jacoba, 06-05-1898
  2. Eelke, 25-03-1903

Hun derde kindje werd op 13 maart 1910 levenloos geboren. Volgens de overlijdensakte in “de huizinge nummer 72”. Vader Jacob zelf ging een dag later afmelden◥, samen met veldwachter Jacob Laverman uit Kollum. Moeder Antje stierf op 24 september 1914. In “de huizinge nummer vijfennegentig” te Kollumerzwaag. Ze liet Jacob achter met twee hele jonge kinderen.

 

Bijna zeven jaar later traden de dan 60-jarige Fokje van der Meer en de dan 52-jarige Jacob Medemblik in het huwelijk.

In 1923 zien we een merkwaardige gebeurtenis aangetekend op de gezinskaart van Jacob Medemblik en Fokje van der Meer [Kollumerland [1920 – 1937]. De adressering in Kollumerland geeft duidelijk aan ze in het huidige Kollumerzwaag woonden, maar door de voortdurende omnummering◥ wordt het onduidelijk. Gegeven is dat Fokje per 25 juni 1923  werd uitgeschreven uit Kollumerland. Per 03 september van datzelfde jaar komt ze weer terug en wordt ze weer op de gezinskaart bijgeschreven. Het is onduidelijk wat de reden is geweest.

Op 21 februari 1945 stierf Fokje te Leeuwarden. Ze werd 84 jaar oud.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

Bronnen:

  • 150 jaar Gereformeerde kerk Westergeest, Zwagerveen, Kollumerzwaag
  • Sjoerdtje Postma, Facebookpagina Oud Kollumerzwaag en Veenklooster
  • Nederlandse Verhalenbank
  • http://www.allefriezen.nl

de Kalverschetser geschetst

‘Onze’ Pietje 28, geschetst door [als ik het goed lees] W. Hofstra. In 1979. Hofstra was kalverschetser, een soort ambtenaar van de burgerlijke runderstand. Een bijzonder, maar ondertussen verdwenen beroep. De kalverschetser schetste al het rundvee omdat het dier anders gewoon niet bestond voor het Friese Rundvee Syndicaat.

Mogelijk werden al in 1874 de eerste schetsen gemaakt, maar toen in 1933 de landbouwcrisiswet werd aangenomen werd het een verplichting. Elke boer kreeg een quotum toegewezen voor het fokken van kalveren en de kalveren moesten binnen drie dagen verplicht geschetst worden. De schets was er eveneens om ziektes onder controle te houden en werden soms ook wel TBC-bewijzen genoemd. Zo stond op de schets al “G.D.-schets” voorgedrukt: “Gezondheidsdienst voor dieren [in Friesland]”.

In 1940 schreef het Algemeen Handelsblad: Veehouders “mochten, omdat ondeskundige autoriteiten op die wijze de melkproductie dachten te kunnen beperken, slechts een per boerderij vastgesteld aantal kalveren in leven laten, welke bevoorrechte dieren dan in duplo werden geportretteerd door volwassen Nederlanders met den titel en het inkomen van “kalverschetser”. Het resultaat […] is geweest, dat […] de structuur van den veestapel werd bedorven, maar de melkproductie stéég, in plaats van te dalen”.

Zonder de schets mocht het dier niet worden verhandeld of vervoerd. Een veehouder vertelde in 1985: “Ik heb eens een koe naar de markt laten brengen en per ongeluk de verkeerde schets meegegeven. Nog dezelfde dag kreeg ik te horen dat ik de juiste schets moest geven en bovendien kreeg ik een boete van 40 gulden”. Bij verkoop van het rund ging de schets als een paspoort met het dier mee naar de nieuwe eigenaar.

Het schetsen van een kalf was in enkele minuten geklaard en daarmee was met enkele snelle maar nauwkeurige halen het vlekkenpatroon van beide zijden van het kalf vastgelegd. Daarnaast werden ras, naam van het dier, de geboortedatum en meer gegevens om het document vermeld. Zo stond ook het melkbusnummer van de boer zelfs vermeld op de schets. In dit geval melkbusnummer 201.

Sinds 1992 worden de gele oormerken gebruikt.

Foto’s waren destijds te tijdrovend en te duur. Daarnaast moest de fotograaf het dier ook maar goed voor de lens zien te krijgen, want beide kanten van het kalf moest worden afgebeeld.

Bennie Katsma, die van 1974 – 1989 bij Huisternoord werkte, schreef: “Alle (kopie)TBC-bewijzen van onze veehouders hadden wij in een grote, grijze ladekast zitten. Vooral op donderdag was het altijd bijzonder druk i.v.m. met de veemarkt op vrijdag in Leeuwarden”. Naast Hofstra waren er meer kalverschetsers die vanuit de zuivelfabriek Huisternoord letterlijk de boer op gingen. Reitsma [?] schetste ‘onze’ Pietje 26 en Klaas Visser [1932 – 2019] kwam Murdock schetsen.

De wettelijke schetsplicht duurde tot en met 1991 en werd in 1992 vervangen door de gele oormerken.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Of weet je meer over de kalverschetsers van Huisternoord? Reageer dan en help mee om onze dorpsgeschiedenis completer te maken.

Bronnen:

  • Friesland Post, juli 1985
  • Wikipedia
  • Facebookpagina Foestrum
  • Bennie Katsma
  • Algemeen Handelsblad, 25 juni 1940

De ondertrouwkaart [2]

[eigen collectie]

De ondertrouwkaart van Folkert J. Hiemstra en Romkje Bijma. Deze kaart riep bij mij de vraag op wie dit zijn geweest. En daarom plaatste ik de kaart op Facebook. Gevolgd door een reactie.

Folkert Jans Hiemstra was een zoon van Jan Hiemstra en Leentje Bosch. Hij is geboren op 05 april 1919 te Kooten en daar ook overleden op 09 maart 1955.

Romkje Bijma was een dochter van Iete Bijma en Sytske Praamstra. Zij is geboren op 08 april 1894 in Jistrum [Eestrum]. Romkje overleed op 14 november 1975 te Kootstertille. Daar ligt zij ook begraven. Met haar man.

Heb jij foto’s of aanvullingen in tekst bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

bron:

  • reactie op Facebook

20 lentes: Wilhelmina Huisman

geboren op 13 april 1890 te Leeuwarden overleden op 22 juli 1910 te Oudwoude [Veenklooster]   Een prachtige jonge vrouw van rond de twintig. Mooi en stijlvol gekleed heeft ze zichzelf op de foto laten zetten. Misschien wel omdat haar relatie een vastere vorm kreeg. Een soort verlovingsfoto, dus. Het is  Wilhelmina Huisman. Geboren op … Lees verder