hystoblog

Home » 2021

Jaarlijks archief: 2021

Ulbe Hettinga

Ulbe Hettinga [collectie Heleen Meijer]

Ulbe Hettinga [collectie Heleen Meijer]

Het begon met de oude foto van mijn betovergrootvader Luitzen Bijlsma». En de opmerking van Menno Kempenaar dat men er nog niet zeker van is of zijn [en mijn] betovergrootvader Luitzen ook boer was aan de Brongersmaweg 4. Toen nog Lageweg genoemd. Tijdens mijn zoektocht kwam ik hun buurman veehouder Ulbe Hettinga tegen. Met deze foto van de veehouder.

Ulbe Hettinga werd geboren op 22 december 1870 te Miedum in het gezin van landbouwer Klaas Uiltjes Hettinga [1843] en Aaltje Ulbes Terpstra [1843 – 1916]. Twee jaar later verhuisde het gezin en werden ze op 10 mei 1872 ingeschreven in het bevolkingsregister van Kollumerland c.a., huizinge A157. In deze woning overleed Klaas U. Hettinga op 06 november 1911, 68 jaar oud.

De zus van Ulbe, Anna [Antje] Hettinga [1878], was van 1902 tot 1912 onderwijzeres aan de Christelijke lagere school Triemen/Westergeest. Zijn broer Uiltje Hettinga [1869] ‘boerde’ op de Triemen.

Ulbe Hettinga was 38 jaar toen hij op 16 oktober 1909 in het huwelijk trad met de 21-jarige Akke Hettinga, op 12 februari 1888 geboren te Doniaga. Zij werd na haar huwelijk bijgeschreven op de gezinskaart van Ulbe Hettinga, wonende in huizinge A154. Op de gezinskaart 1910-1920 is het huizingenummer enkele malen doorgehaald en gewijzigd met blauwe potlood. Van A154 en 170 naar 166.

Van huisnummering zoals tegenwoordig was nog geen sprake. De nummering van de woningen werd in de loop van de jaren ook vaak aangepast», vandaar de doorhalingen op de diverse aktes. Die doorhalingen betekenen niet dat de bewoners verhuisden, maar dat de woning [huizinge] anders geregistreerd stond.

Alles duidt er op dat Ulbe en Akke Hettinga – Hettinga buren waren van Luitzen en Janke Bijlsma – Boersma. Als buren van elkaar ‘verstonden’ ze de zogenoemde burenplicht». Ze namen dat serieus. Want toen Janke op 01 mei 1907, ’s avonds rond negen uur in “huizinge Wijk A nummer eenhonderdvijfenvijftig” overleed, deed o.a. de 35-jarige buurman Ulbe Hettinga daar aangifte van op het gemeentehuis van Kollumerland c.a. Samen met de 52-jarige arbeider Meindert van der Bij. En toen jaren later veehouder Ulbe Hettinga op 21 januari 1922 kwam te overlijden, werd daarvan aangifte gedaan door o.a. Rindert Kempenaar, veehouder te Kollum.

Deze Rindert Kempenaar was gehuwd met Aagtje Bijlsma, dochter van Luitzen en Janke Bijlsma – Boersma. Zij stonden uiteindelijk [met vader Luitzen] ingeschreven als wonende in woning A155.

Rindert was geboren op 31 maart 1884. In het gezin van Sytse en Wytske Kempenaar – Triemstra te Kollumerzwaag. Zijn zus Grietje werd geboren op 17 januari 1880. Grietje ‘kieke’ Kempenaar trouwde op 23 mei 1903 met de 24-jarige Sieds Bijker uit Westergeest. Zij zijn de ouders van Atze Bijker [1904 – 2003] die vertelt dat hij op een gegeven moment bij boer Ulbe Hettinga wam onderhandelen over werk en loon. Hij schreef dat Ulbe een gezellige prater was, waarschijnlijk niet in de laatste plaats omdat Atze op de Christelijke school Triemen/Westergeest les had gehad van juf Anna Hettinga, de zus van Ulbe.

Leeuwarder courant, 24 januari 1922

Leeuwarder courant, 24 januari 1922

Onder het drinken van een kop thee werden Atze en veehouder Ulbe het eens over het jaarloon. Als 18-jarige zou Atze grote knecht worden voor 325 gulden per jaar. Maar alles liep anders dan voorzien, zo bleek bij een bezoek aan Rindert en Aagtje kempenaar – Bijlsma. Atze kwam daar geregeld over de vloer. Het waren zijn oom en tante en bovendien de naaste buren van zijn aanstaande werkgever. En daar hoorde hij van de ernstige ziekte en het snelle overlijden van boer Ulbe Hettinga.

Atze kwam per mei wel op de boerderij werken, waar de zwangere Akke Hettinga was blijven wonen. Met jonge kinderen, waarvan de oudste rond de 12 jaar. En een ongeboren kind dat bij de geboorte op 1 februari 1922 de naam van zijn vader zou krijgen – enkele weken na het overlijden van vader Ulbe…

Er kwam een contra-boer, Heerke Douma uit Hardegarijp die de dagelijkse leiding over de werkzaamheden kreeg.

Per 15 mei 1923 vertrok “landbouwersche” Akke met haar inwonende kinderen naar Oldehove, provincie Groningen. Daar trad ze tien jaar later in het huwelijk met landbouwer Evert Venema en begon ze een nieuw bestaan.

Na haar overlijden op 19 mei 1978 werd ze begraven te Kollum. In het graf waar haar eerste man Ulbe begraven ligt én ook haar tweede man Evert na zijn overlijden op 07 maart 1969 was begraven. En haar dochter Fimmigje [1914 – 1973].

U kunt meehelpen om onze geschiedenis completer te maken. Want heeft u meer informatie, een aanvulling, een foto of ander materiaal wat past bij deze ‘post’?  Plaats dan a.u.b. onderaan een reactie of stuur een mail».

Bronnen

Een zware bevalling

Catharina Geertruida Schrader [1656 te Bentheim, Duitsland - 30 oktober 1746, Dokkum][collectie wikipedia]

Catharina Geertruida Schrader [1656 te Bentheim, Duitsland – 30 oktober 1746, Dokkum][collectie wikipedia]

De opmerkelijke vroedvrouw Catharina Geertruida Schrader beschreef een bevalling op Weerdeburen op 17 juli 1708. Bij een arbeidersvrouw die al drie dagen weeën had. En die haar eigen vroedvrouw niet [meer] vertrouwde. Toen Catharina bij haar kwam, trof ze haar in ellendige toestand aan: “Dronck allgedurig groote byrglasen vol byr, dar ick de vrotvrouw over bestrafte, dy mij antworde: sij willde het hebben. Ick seyde dat haar blaas berrsten moste als het kint gebooren wyrde”.

Het ongeboren kind bleek al te zijn overleden en Catharina moest gebruik maken van haar verloskundige martelwerktuigen. Catharina schreef: “En slog mijn haack in het kintdes mont, haelde het nae mij. Terstont schjorrde de blaas, dat het waater mij over mijn ganse liif heen lyp met sullken gelut of dar een mussket ofgeschoet wirde”.

Catharina werd in 1656 geboren in het gezin van Friedrich Schrader, hofkleermaker, en Gertrud Nibberich. Toen ze rond de 27 jaar was trouwde ze op 07 januari 1683 in haar geboorteplaats met meesterchirurchijn Ernst Wilhelm Cramer. Negen jaar later overleed de meestrchirurchijn en zette Catharina de chirurgijnswinkel voort. De vroedvrouwenpraktijk begon ze een jaar later, in 1693. Want, zo zou ze gesteld hebben: “Toen beliefde het de Here mij tot dit zwaarwichtig werk uit te kiezen”.

In 1695 kwam ze met haar zes kinderen naar Dokkum. Daar hertrouwde ze op 22 februari 1713 met burgemeester Thomas Higt [overleden 1721]. Rondom Dokkum beschreef zij duizenden verlossingen met eventuele complicaties en afloop van moeder en/of kind. Een verloskundig dagboek die zij ‘Memoryboeck van de Vrouwens’ of ook ‘Memory boeck van de Kinders [die] geboren worden’ noemde.

Op 07 februari 1745 verrichtte ze op 88-jarige leeftijd haar laatste bevalling. Haar aantekeningen beslaan de periode 1693 – 1745 en worden gezien als een belangrijk, uniek document en van groot belang voor de kennis van haar collega’s in die tijd. Op 30 oktober 1746 stierf ze te Dokkum.

In 1981 werd een stichting naar haar vernoemd. Deze stichting heeft als doel het bevorderen van de kennis van de verloskunde.

Even terug naar Weerdeburen. Op 17 juli 1708 bij de arbeidersvrouw. Catharina zette daar onverschrokken door. Ze verloste de arbeidersvrouw van het kind en redde zo het leven van de kraamvrouw.

“Dat war een myrackel”.

Bronnen:

mijn betovergrootvader Luitzen Bijlsma

Links mijn betovergrootvader Luitzen Bijlsma [collectie Menno Kempenaar]

Links mijn betovergrootvader Luitzen Bijlsma [collectie Menno Kempenaar]

Mijn  betovergrootvader Luitjen Bijlsma. Of, zoals officieel in de geboorteakte, Luitzen. Hij werd geboren op 16 december 1847 in het gezin van Anne Hedmans en Wytske Luitzens Bijlsma – Boelens. Het gezin woonde in Lippenhuizen en vader Anne was daar grofsmid. In het Bevolkingsregister van de gemeente Smallingerland staat Luitzen als “Luit Annes” op de gezinskaart geschreven.

signalement militieregister

signalement militieregister

In 1867 werd Luitzen vrijgesteld van militaire dienst “wegens gebreken”. Vooralsnog is niet bekend wat die “gebreken” zijn geweest, maar het militieregister geeft wel een ander mooi overzicht van “maat en signalement van den loteling”.

Luitzen was 1 el en 705 strepen groot en had een ovaal gezicht met blond haar.

Op dezelfde bladzijde in het militieregister staan in totaal 7 lotelingen. Met een gemiddelde lengte van 1 el en 650 strepen viel Luitzen niet echt buiten de toon.

Op een gegeven moment verhuisde Luitzen naar Kollumerland c.a. en werd hij als ongehuwde ingeschreven in het register van Dienstboden [1870 – 1880]. Zelfs de kerkelijke gezindte staat in dit register vermeld: Nederlands Hervormd. Zijn beroep was dienstbode. Komende van Opsterland kwam hij per 12 mei 1877 naar Augsbuurt. In potlood staat in de laatste kolom achter zijn naam wat onduidelijk de naam van een Douma – waarschijnlijk zijn werkgever.

Daar, in Augsbuurt of Lutjewoude, trof hij zijn liefde.

IMG_20211017_0003Op 15 mei 1880 trad de 32-jarige Luitzen in het huwelijk met de 30-jarige Janke Boersma. Janke zag haar eerste levenslicht in Buitenpost, op 13 november 1849. Zij was een dochter van arbeider Lourens Ebes Boersma en Aagtje Jacobs Zwart. Vier jaar na de huwelijksdatum werd Aagtje geboren te Kollum op 02 maart 1884. Vader Luitzen was arbeider.

De gezinskaarten uit het Bevolkingsregister van Kollumerland c.a. geven vervolgens een interessant inkijkje. Of maken wij het interessant … ?

In de twee bevolkingsregisters 1880/1900 en 1900/1910 staat het gezin ingeschreven in huizinge A155. Luitzen is “landb. arbeider”. De kerkelijke gezindte Nederlands Hervormd is doorgehaald en gewijzigd in Gereformeerd.

In diezelfde periode staat Luitzen aan het open graf van zijn geliefde vrouw Janke. Zij was 57 jaar toen ze te Kollum kwam te overlijden op 01 mei 1907. Buurman» en veehouder Ulbe Hettinga» deed daarvan aangifte. Een jaar later, op 16 mei 1908, legt Luitzen de hand van zijn dochter in die van de 24-jarige Rindert Kempenaar [31 maart 1884, Kollumerzwaag en overleden op 19 augustus 1950 te Zuidlaren]. Samen met deze arbeider had Aagtje drie kinderen in huis: mijn beppe Janke [17 mei 1911, Kollum]», Wijtske [22 september 1914, Kollum] en Luitzen [28 februari 1916]. Het gezin was Gereformeerd.

In het bevolkingsregister 1910 – 1920 wordt Luitzen op twee gezinskaarten vermeld. Op de eerste kaart staat hij alleen alleen op de kaart geschreven. Met enkele ferme blauwe strepen zijn zijn beroep [landb. arbeider] en huizingenummers [A155, 171] doorgehaald. Met die zelfde blauwe potlood staat nummer 167 naast de huizingenummers geschreven. De tweede kaart duidt er op dat het gezin van dochter Aagtje en schoonzoon Rindert ingetrokken is bij vader Luitzen. Op de gezinskaart is het huizingenummer enkele keren gewijzigd en doorgehaald met een blauwe potlood, van  A155 en 171 naar 167.

Het lijkt er op dat die situatie ongewijzigd bleef tot de dood van Luitzen. In het bevolkingsregister 1920 – 1937 staat Luitzen als weduwnaar bijgeschreven in het gezin van Rindert en Aagtje Kempenaar – Bijlsma. Woonplaats Kollum, huizinge A167. Met rood staat achter zijn naam, in de kolom “ambt, beroep of bedrijf”, arbeider. Met wellicht diezelfde rode potlood is achter de naam van zijn schoonzoon arbeider doorgehaald en gewijzigd naar veehouder. Met hetzelfde rode potlood is de huizinge in Kollum gewijzigd in 195.

Uiteindelijk werd, met twee ferme grijze strepen, zijn naam doorgehaald. Mijn betovergrootvader Luitzen Bijlsma was overleden. Op 12 juli 1930, toen hij de 82-jarige leeftijd had bereikt.

IMG_20211017_0002

U kunt meehelpen om onze geschiedenis completer te maken. Want heeft u meer informatie, een aanvulling, een foto of ander materiaal wat past bij deze ‘post’?  Plaats dan a.u.b. onderaan een reactie of stuur een mail».

Bronnen:

  • Allefriezen
  • Menno Kempenaar

Willem en Berta Hoekstra – Niewijk

[collectie Tresoar]

[collectie Tresoar]

Een mooie foto van Willem Hoekstra, die ontspannen op het spatbord van de auto zit. Zijn vrouw Berta Niewijk heeft heel intiem haar hand aan de binnenkant van zijn knie gelegd terwijl dochter Etje, op de fiets zittend, steun zoekt op de bumper van de auto. Willem werd op 02 juni 1906 geboren te Twijzel in het gezin van Gerben Hoekstra en Jantje Komrij.

Johannes Niewijk en Etje van der Veen met hun dochter Bertha en haar man Willem [collectie Jouke Dantuma]

Johannes Niewijk en Etje van der Veen met hun dochter Bertha en haar man Willem [collectie Jouke Dantuma]

Inschattend zal de foto vlak voor de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt. HOEKSTRA – ZWAGERVEEN, staat boven de cabine geschreven. Het kenteken B-9784 werd al op 18 december 1925 op naam gesteld van Gerben Hoekstra. De vader van Willem, schat ik in. De nummerbewijzen» waren gekoppeld aan de persoon. Vandaar dat de in 1929 gebouwde vrachtauto ook dit kenteken kreeg. Een kenteken dat voorkomt op de lijst van autobezitters in 1940, zoals de Duitse bezetters die liet opstellen.

Twee jaar nadat het kenteken op naam werd gezet van zijn vader, trad Willem in het huwelijk met Berta Niewijk. Berta was geboren op 31 januari 1906 in Vorst [Duitsland] maar woonde in Twijzelerheide. Haar moeder Etje van der Veen trad een jaar later, op 28 april 1927, in het huwelijk met Johannes Niewijk. Daarbij werd Etje als hun beider kind erkend.

Vrachtrijder Willem en zijn vrouw Berta kregen, voor zover ik nu weet, twee kinderen.

  • 22-08-1927, Etje te Westergeest
  • 03-03-1931, Gerben te Zwagerveen

Bertha was een nicht van Klaaske Dijkstra-Niewijk». Dochter Etje trouwde met Jan de Boer, zoon van Siebren de Boer en Grietje Hoekstra. Zoon Gerben was garagehouder in Anjum en was getrouwd met Geesje Teertstra, dochter van Jacob Teertstra en Aaltje Sloot.

Willem Hoekstra overleed op 25 februari 1966. Zijn vrouw Berta Niewijk overleed anderhalf jaar later. Op 01 september 1967. Ze liggen begraven te Harlingen.

U kunt meehelpen om onze geschiedenis completer te maken. Want heeft u meer informatie, een aanvulling, een foto of ander materiaal wat past bij deze ‘post’?  Plaats dan a.u.b. onderaan een reactie of stuur een mail».

Bronnen:

tsjerkepraatsjes [1]

Louw Hopperus [fotodetail][collectie Jouke Dantuma]

Louw Hopperus [fotodetail][collectie Jouke Dantuma]

Louw Hopperus.

Eén van de meest kleurrijke kerkgangers was Louw Hopperus [1862 – 1937] misschien wel, de vader van Gertje ‘kekke’ de Jong – Hopperus [1900 – 1997]. Het gezin woonde aan de Trekwei, vanaf Keatlingwier gezien richting Dokkum.

Louw had gediend in Indië. Hij was een Indiëvaarder, maar had de zogenaamde tropenkolder opgelopen. ’s Zondags zat hij vooraan in de kerk van Westergeest. In uniform, met al zijn medailles pontificaal en trots op zijn borst. Maar de man raakte na zijn scheiding helemaal de koers kwijt en begon zich vreemd te gedragen.

Jan Hanenburg.

Jan Hanenburg [ik vermoed de Jan Hanenburg die geboren werd op 09 april 1901 te Rinsumageest] werd al jong wees. Jan was een gangmaker, ook in de kerk. Toen Jan op een zondagmiddag eens vroeg in de kerk zat, ging zijn gedrag koster ‘Jan Siebes’ te ver [was dit misschien de in 1868 geboren Jan Sybes Lap?]. Nog voordat de dienst begon kreeg Jan straf van de koster met de woorden “Ik heb vanmorgen al meer dan genoeg last van jou gehad!”.

ds. Joh. Politiek

ds. Joh. Politiek

Dat deed één van de andere kerkgangers verdriet, waarschijnlijk was dat Sijtze Kempenaar [1882 – 1961]. Kempenaar rees overeind en sprak de koster aan op zijn gedrag: “Je moet ophouden, want denk er aan het is een wees!”. Maar de koster was niet te vermurwen en stuurde Jan Hanenburg de kerk uit waar Jan huilend dominee Politiek tegenkwam. Ds. Politiek [1846 – 1926] nam Jan mee naar binnen en Jan mocht straks met hem mee de kerk in!

En zo gebeurde het. Toen de ds. Politiek met de kerkenraad naar binnen kwam, volgde Jan hen op de voet. Jan heeft die middagdienst glunderend en lachend gevolgd vanaf een ouderlingenbankje. Met zijn pet in de hand.

’s zondags niet fietsen.

Het was in de tijd dat boer Willem Wielsma [1850 – 1931] en zijn vrouw Maaike Kuipers [1864 – 1931] met een ‘deftige’ tilbury naar de kerk van Oudwoude gingen. Willem en Maaike woonden tot 1929 Bréwei 2 en zijn de overgrootouders van Jan Hania.

Het was ook in de tijd dat de meeste mensen lopend naar de kerk kwamen, ook al hadden veel jongeren al een fiets. Maar het werd van huis uit niet goed gevonden om op zondag de fiets te gebruiken. Ook Atze Bijker [1904 – 2003] moest van zijn ouders Sieds Bijker en Grietje ‘kieke’ Kempenaar te voet naar de kerk. Boer Willem Wielsma zou daarover gezegd gezegd hebben “Ik geef jullie ouders gelijk”.

Un dominee uut Westergeest.

In mijn archief heb ik een gedicht van een onbekende schrijver:

Voor un dominee uut Westergeest
was domineren un heel groot feest.
Hij speulde met ’n diaken op ’n loude kerkbank,
soms dubbel zes, of dubbel blank.
Mar de Westergeestenaren,
dat moets de predikant ervaren,
hadden ‘gjin nocht’ an dat domineren,
dat sudden se hem wel anders leren.
Se seiden: Dit is niet jo werk,
hou jo je mar an’t kerkewerk.
En luuster, dominee fan Westergeest,
doen as de skoenmaker ‘Houw je bij de leest’.
En kin jo fan oons nog lere,
Dominee’s die magge nooit dominere.

U kunt meehelpen om onze geschiedenis completer te maken. Want heeft u meer informatie, een aanvulling, een foto of ander materiaal wat past bij deze ‘post’?  Plaats dan a.u.b. onderaan een reactie of stuur een mail».

Bronnen

Beppe Klaaske Niewijk

Beppe Klaaske as jongfaam [collectie Jouke Dantuma]

Beppe Klaaske as jongfaam [collectie Jouke Dantuma]

Jouke Dantuma schreef op 25 november 2021 ondergaand artikel op zijn facebookpagina. Met toestemming overgenomen.

Folkert Niewijk en zijn zus Klaaske en moeder Jitske Boersma

Folkert Niewijk en zijn zus Klaaske en moeder Jitske Boersma [collectie Jouke Dantuma][ingekleurde foto]

Hjoed presys 45 jier lyn stoar myn beppe Klaaske Niewijk. Hja is op 5 febrewaris 1896 berne op Kollumerâldsyl. Dit gehucht leit boppe Kollum. Sy wie de dochter fan Hedde Niewijk en Jitske Boersma. Us beppe hie noch ien jongere broer. Dit wie Folkert Niewijk dy ’t op 28 juny 1967 by de trijesprong Haaddwei-Achterwei te Moarrewâld op ‘e fyts, mei fatale gefolgen, troch in auto skept waard. Beppe

Klaaske wenne mei har âlders en broerke letter yn Westergeest oan ‘e Kalkhûswei 32a». Om ’t beppe kreupel wie en de grifformearde skoalle yn Sweagerfean te fier ôf lei gie sy nei de iepenbiere skoalle» yn Westergeast.

Us beppe troude op 26 juny 1920 yn Kollum mei myn pake Bokke Dijkstra. Hy wie keapman u.o. yn aaien. Hy liet oan de Triemsterloane yn 1926 in krûdenierswinkel bouwe. Sy krigen fjouwer bern: Anne, Jitske, Sietske (myn mem) en Hedde. Lêstneamde naam letter de winkel oer, dêr ’t dochter Rinske op it stuit wennet.

Ik bin yn besit fan in âld plakboek fan myn beppe. De leafde foar skiednis hat sy fia ús mem grif oan my trochjûn. Beppe Klaaske leit begroeven op it tsjerkhôf fan Westergeast.

tekst: Jouke Dantuma, één van de gastschrijvers».

U kunt meehelpen om onze geschiedenis completer te maken. Want heeft u meer informatie, een aanvulling, een foto of ander materiaal wat past bij deze ‘post’?  Plaats dan a.u.b. onderaan een reactie of stuur een mail».

Alsengem gevonden

Alsengem [collectie Omrop Fryslân] en zandstenen grafzerk [eigen foto]

Alsengem [collectie Omrop Fryslân] en zandstenen grafzerk [eigen foto]

Een klein blauw steentje. Een knoopje met ingekraste figuurtjes. Oebele Vries zette daar grote ogen over op. En noemt de vondst heel bijzonder. Terecht!

Ik kan in deze ‘Út ús ferline’ óók niet om dat steentje van glas of halfedelsteen met ingesneden versiering heen. Het ís gewoon een spectaculaire vondst. Het is ook niet voor niks dat het Kollumer Museum blij is dat de vinder en Westergeastmer Henk Dijkstra het knoopje voor vijf jaar beschikbaar heeft gesteld.

Wat zijn gemmen precies?

De ronde of ovalen gemmen zijn van blauwe glaspasta, waarbij op een donkere onderlaag van glas een dunner blauw bovenlaagje werd gesmolten. De ingesneden mensfiguurtjes zijn er vermoedelijk met een metalen voorwerp ingekrast, variërend van 1 tot en met 4 figuurtjes. De gemmen zijn over het algemeen 2 – 3 centimeter.

Deze gemmen worden Alsengemmen genoemd, naar het eiland Alsen» aan de oostkust van Zuid-Jutland. In 1871 werd daar de eerst gepubliceerde gem aangetroffen. Let op, de eerst gepublicéérde, want in 1846 kwam er al een gem bij Birdaard uit een terpopgraving boven.

Er zijn in heel Europa iets meer dan honderd bekend, waarvan rond de 20 uit Friese bodem. Ze komen voor in kerkschatten, wat er op kan wijzen dat ze uit de periode van 1000 – 1200 komen.

In mijn boek Foestrum» schreef ik al heel kort over deze steentjes. Ook omdat ik een relatie denk te zien tussen de figuurtjes op de Alsengemmen en de drie figuurtjes op één van de oudste grafzerken» in onze kerk.

Op deze zandstenen zerk [69-91 x 233 cm] staan versieringen die op palmboompjes lijken en een figuur gekleed in een lang gewaad met daarboven de drie kleinere figuurtjes. Het lijkt er vanwege de vorm op dat het gaat om een sarcofaagdeksel.

De naam van degene voor wie deze eeuwenoude zandstenen grafsteen is gemaakt is onbekend. Toch valt te denken aan een vooraanstaand persoon van adel of een hoge geestelijke. Het viel niet mee om een dergelijke zerk te maken; het vakmanschap plus het risico op breukschade en kostbaar vervoer maakten het een kostbare onderneming die zeker niet door iedereen te dragen was.

Maar terug naar de Alsengemmen. Deze werden zeer waarschijnlijk gemaakt in Keulen. Een aartsbisdom en ook wel het ‘Rome van het noorden’ genoemd. Keulen werd rond 1164 het middelpunt van de verering van de heilige Drie Koningen. De beenderen van deze Drie Koningen werden toen naar Keulen overgebracht waardoor deze stad ook een belangrijk bedevaartsoord werd. En de Drie Koningen waren beschermheiligen van o.a. de pelgrimgangers.

Zodoende werden de Alsengemmen door de pelgrimgangers gebruikt als gewijde devotiepenningen [of amuletten, zo je wilt] die het altijd loerende gevaar tijdens de pelgrimstochten moesten afweren. En de pelgrims moesten beschermen.

Daarom houden de mensfiguurtjes elkaar de hand vast en kijken ze elkaar aan. Op gemmen waar drie figuurtjes zijn ingekrast lijken de twee buitenste de middelste in de gaten te houden. De pelgrim werd beschermend begeleid.

Het zou zomaar zo kunnen zijn dat de drie figuurtjes op de grafzerk in onze kerk dus ook duiden op de Drie Koningen. En de op de grafzerk afgebeelde gestorvene beschermend begeleiden naar zijn laatste bestemming.

En dat past in de algemene veronderstelling dat de Alsengemmen een Christelijke betekenis hebben gehad.

Het kleine, blauwe steentje dat vlak bij de kerk werd gevonden en de eeuwenoude grafzerk in de kerk lijken te wijzen op de verering van de Drie Koningen. En dat terwijl Westergeest was verbonden aan het bisdom Utrecht – het bisdom dat in een onderlinge machtsstrijd met het aartsbisdom Keulen verwikkeld was.

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

Bronnen:

architect Eldering

  • Geboren op 11 maart 1854 te Suameer
  • Overleden op 08 januari 1932 te Hoogkerk

Cornelis HermanCornelis Herman Eldering [collectie Eldering genealogie] Eldering [collectie Eldering genealogie]

Cornelis Herman Eldering [collectie Eldering genealogie]

Cornelis Herman Eldering was de oudste zoon van Hermanus Hermanus Eldering [1827 – 1901] en Joukje Kornelis Sikkema [1827] uit Suameer. Van vader Hermanus Eldering weten wij dat hij in 1885 bestek inleverde voor de bouw van de nieuwe Christelijke school Triemen / Westergeest. Hij stond op 9 juli van dat jaar met het verenigingsbestuur op het aangekochte terrein op de Triemen en kreeg opdracht om bestek en tekening te maken, m.u.v. de schoolbanken.

Misschien was zoon Cornelis toen al veel meer betrokken bij het tekenen en is de school al één van zijn eerste ontwerpen. Het was de tijd dat vader Hermanus zijn zoon Cornelis de kneepjes van het architectenvak leerde. En mogelijk zette de schoolbouw een voet tussen de deur want daarna was zoon Cornelis Eldering betrokken bij meerdere bouwactiviteiten in Westergeest e.o.

Zo is Triemen 5, één van de woningen of gebouwen in Westergeest/Triemen van de architecten-hand van Cornelis Herman Eldering. Maar was hij ook betrokken bij:

  • 1895: Afbreken van een Staatschool en bouwen van een Burgerwoning Westergeest, namens de kerkvoogden. Dit lijkt mij het oude schooltje op de hoek Tsjerkepaed / Kalkhúswei.
  • 1905: Afbreken en bouwen van Eelke Meinertswei 13», een Stelpbehuizing te Westergeest namens ds. W. Stoel bewoond door H. de Bruin te Westergeest.
  • 1908: Het bouwen van Eelke Meinertswei 4» voor J. Fokkema Fzn. –  Jan Fokkes Fokkema [1852 – 1916] was boer en landheer, had zitting in de Staten van Friesland en was hoofdbestuurslid geweest van de Christelijk-Historische Unie. Hij was de vader van dr. Fokke Jan Fokkema». Zijn weduwe, Wiepkje Fokkema de Bruin [1858 – 1953], bleef er wonen tot haar overlijden in 1953. Omdat het huis van de weg gescheiden is door een gracht, een theehuisje bezit en verscholen gaat onder een beuk, noemde men deze woning “It Slotsje”.

Op 15 mei 1878 trouwde Cornelis met Jitske Klazes Elzinga. Twaalf jaar later kwam Jitske te overlijden en stond Cornelis als 36-jarige weduwnaar met vier zonen aan haar graf. Hij kon uit dit droevige dal komen en opnieuw in het huwelijk treden. Op 30 april 1892 werd de 33-jarige weduwe Barbertje Zijlstra zijn vrouw.

Eldering, de man die tot in Amsterdam zijn sporen heeft nagelaten, was geen Westergeastmer. Maar wel een man die ook een stempel heeft gedrukt op Westergeest en daarom een plek verdienen in onze dorpshistorie.

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

bronnen:

  • “De Gebouwde Erfenis”, Bertus Fennema
  • “Groote Dingen” [100 jaar Christelijk onderwijs Triemen/Westergeest]
  • Foestrum»
  • Eldering Genealogie

Johannes was zijn naam

In maart 2021 kreeg ik een mail van Hanneke Hoekstra met een bijzondere toevalligheid. Toen ze mijn ‘post’ “De dienstmeid die ook boerin werd …»las viel haar de geboortedatum van Sieds Kloosterman op. Plus het feit dat Sieds “buiten huwelijk” werd geboren. In Westergeest.

Hanneke zag direct de overeenkomsten met haar directe voorouders: Maaike Johannes van der Schaaf en haar zoon Johannes. Johannes werd ook te Westergeest geboren. Ook buitenechtelijk. Ook op 28 januari 1857. Zijn geboorteakte heeft nummer 14 meegekregen, direct volgend op de geboorteacte van Sieds Kloosterman.


"Johannes en Janke" 65 jaar getrouwd [bron Leeuwarder Koerier]

“Johannes en Janke” 65 jaar getrouwd [bron Leeuwarder Koerier]

 

Twee Westergeastmers. Twee ongehuwde moeders die op dezelfde dag een zoon krijgen. Het werd de aanleiding om uit te zoeken wie Johannes was en werd.

  • Geboren op 28 januari 1857 [’s nachts “ten drie ure”] te Westergeest
  • Overleden op 19 januari 1953 te Driesum.

Zijn moeder, Westergeastmer Maaike Johannes van der Schaaf, werd op 13 juli 1825 geboren in het gezin van Johannes Mients van der Schaaf en Antje Pieters de Boer. Op 32-jarige leeftijd kreeg zijn haar enigste kind Johannes – de vader is voor ons onbekend gebleven. Zeven jaar later verhuisde Maaike met Johannes naar Driesum.

Op 07 september 1865 trad dienstbode en moeder Maaike op 40-jarige leeftijd in het huwelijk met de tien jaar oudere dagloner Dirk Jans Alberda. Zij overleed vlak voor Kerst op 23 december 1910 en is 85 jaar geworden.

Haar zoon Johannes van der Schaaf staat in het Dienstboden Kollumerland, 1880 – 1890 vermeld als dienstbode. Het adres is vrij onduidelijk, maar wat wel duidelijk is dat het een huizinge B is – zeer vermoedelijk dus in het huidige oosten van Kollumerzwaag. Per 02 juli 1880 werd hij uitgeschreven naar Dantumadeel.

En daar lijkt een trend te ontstaan: meerdere keren werd kennelijk verhuist van de ene gemeente naar de andere gemeente. Want het lijkt er op dat hij, toen hij 12 november 1881 trouwde, in Oudwoude woonde. Als 24-jarige arbeider trad hij in het huwelijk met de toen 21-jarige dienstmeid Janke de Jong uit Akkerwoude. In het bevolkingsregister Kollumerland, Oudwoude [1890 – 1900] staat vermeld dat Janke op 21 november 1881 vanuit Dantumadeel bij hem kwam wonen. Is hier sprake van een verschrijving van de ambtenaar?

Hoe dan ook, per 16 mei 1882 worden ze beiden uitgeschreven naar Dantumadeel om per 03 juli 1890 weer in Kollumerland ingeschreven te worden. Met vijf kinderen komen ze in “huizinge A no 85” te wonen:

  1. 07 januari 1882, Maaike
  2. 22 mei 1884, Pieter
  3. 26 augustus 1885, Dirk
  4. 20 juli 1886, Leentje
  5. 06 juli 1888, Jan

Mogelijk werd in dat huis hun dochter Hiltje geboren op 23 november 1890.

Vervolgens staan ze ingeschreven in het Bevolkingsregister Kollumerland, Kollum – 1880 – 1900 in “huizinge A no 202”. Van daar uit vertrok het Nederlands hervormde gezin op 13 juni 1893 weer naar Dantumadeel.

Maar daar wachtte hen het noodlot. Enkele weken na de verhuizing kwam hun dochter Maaike te overlijden. Op de eerste augustus 1893, en stonden ze aan het open graf van hun eerstgeborene.

Toen op 07 januari 1895 nog een dochter werd geboren, kreeg dit meisje weer de naam Maaike. Op 14 januari 1900 werd hun Benjamin geboren, die ze Meindert hebben genoemd.

Jaren later, tijdens hun 65-jarig huwelijksfeest, werden ze door meer dan 250 mensen gefeliciteerd – uiteraard ontbrak de burgemeester daarbij niet. De journalist van de Leeuwarder koerier schrijft een kort artikel bij een foto van “de volksdichter Jacob van der Schaaf en zijn  vrouw Janke, ‘de baakster’”.

Voor vrijwel alle gebeurtenissen in Driesum klom âlde Jacob in de pen en schreef hij een gelegenheidsgedicht. De geschreven gedichten lagen bij Janke in de Bijbel. Janke was baakster en “menigeen uit de Dokkumer Wouden, heeft zijn of haar voorspoedige intrede in dit ondermaanse bestaan te danken aan haar rappe handen”.

Janke de Jong overleed op 12 oktober 1947, 87 jaar oud. Johannes van der Schaaf, de ‘volksdichter‘ van Driesum overleed op 95-jarige leeftijd.

Heb jij aanvullingen in welke vorm dan ook bij deze post? Reageer dan en help mee om dit verhaal completer te maken.

Bronnen:

  • Hanneke Hoekstra
  • Leeuwarder Koerier, 13 november 1946
  • allefriezen»
  • Dineke Visser op Facebookpagina Âld Driezum

Dranksmokkel in Westergeest

zoekfotoHet staat daar echt. In het Nieuwsblad van Friesland, 01 november 1935. Het is in dit geval niet zo lastig om de ‘smokkelaar’ te identificeren. Kruidenier Folkert A. kan in mijn beleving alleen maar Folkert Attema zijn. Kruidenier in ons dorp.

Folkert Attema werd geboren op 13 augustus 1888 te Heeg en begon zijn werkzame leven als knecht bij zijn vader, boer Auke Folkerts Attema.

Hij was op 02 mei 1914 getrouwd met boerendochter Lazina Jouwsma, geboren op 29 april 1888 te Winsum. Vanaf zijn huwelijk was hij lid van het Friesch Dagblad.

Samen kregen ze 8 kinderen; twee meisjes en zes jongens – 5 van hen zijn vertrokken naar het buitenland.

Nadat Attema zelf ook boer was geweest, begon hij in mei 1926 te Westergeest een kruidenierszaak. Aan de Bumawei 2.

Westergeastmer ‘jongbazen’ probeerden Attema wel uit de tent te lokken. Zij vingen in de donkere uren spreeuwen bij wat later de Fokkema’s Pleats zou worden. Deze gevangen spreeuwen lieten ze los in de winkel van Attema. Als Attema dan het licht aanknipte moet Leiden in last zijn geweest. Folkert en zijn vrouw hebben met een open winkeldeur, handdoeken in de hand en met moeite de spreeuwen naar buiten kunnen jagen.

Tussen de bedrijven door was de Gereformeerde Attema actief in het kerkelijke en maatschappelijk leven als diaken, ouderling, lid van het schoolbestuur, penningmeester van het Groene Kruis en lid van de Woningcommissie Kollumerland. Maar ook als voorzitter van de AR-kiesraad heeft hij meer dan 20 jaar veel werk verzet. Allemaal “in het belang van de gemeenschap, met liefde”.

Het was de tijd van de verzuiling. De samenleving was op basis van overtuiging in groepen verdeeld. En de Gereformeerde Attema had dus ook Gereformeerde klanten, zoals Jan en Saakje Steringa – Poortinga van Keatlingwier. Tweewekelijks bracht Folkert Attema een bezoek om de boodschap-wensen op te nemen. Maar tussendoor werden de kinderen wel eens om een boodschap naar Westergeest gestuurd, en die hadden dan een heel eigen reden om uit hun Gereformeerde zuil te komen.

Want, wat was het geval.

De Nederlands Hervormde herbergier Folkert Boonstra [1856 – 1942] had met zijn vrouw Johanna Hibma [1859 – 1941] ook een kruidenierszaak. In wat nu Herberg Foestrum is. Folkert Boonstra zal een Nederlands hervormde klantenkring hebben gehad en bracht de boodschappen rond met paard en wagen. Ook bij hem kwamen kinderen wel een tussentijds een boodschapje halen. En Folkert Boonstra had dan de gewoonte om de kinderen op een snoepje te trakteren. Folkert Attema had die gewoonte niet. Verzuilde principes werden daarom door de kinderen aan de kant gezet voor dat snoepje … zal moeder Steringa ooit geweten hebben waar haar tussendoor gekochte boodschappen vandaan kwamen?

zoekfotoEven terug naar Folkert Attema en zijn vrouw Lazina Jouwsma. Vierendertig jaar stonden hij en Lazina achter de toonbank in Westergeest – tot zijn 72e jaar. Toen vetrokken ze rond 1960 naar Dokkum – de Dokkumer familie De Beer trok in de winkel.

Het waren moeilijke jaren, maar ook gezegende jaren” zullen Folkert en Lazina later een journalist vertellen. Het was een periode waar ze jaren later, in Dokkum, met heimwee naar terug keken. Tot hun dood klopte “hun beider hart voor Westergeest. Der is en bliuwt in bân”. Die dood kwam voor Folkert Attema op 11 mei 1984. Zijn vrouw Lazina stierf op 12 april 1990.

Ze liggen begraven in hun geliefde Westergeest.

U kunt meehelpen om onze geschiedenis completer te maken. Want heeft u meer informatie, een aanvulling, een foto of ander materiaal wat past bij deze ‘post’?  Plaats dan a.u.b. onderaan een reactie of stuur een mail».

Bronnen: